Bespreking

‘Niets meer dan afstand’

Stilleven met Brood

Vorig jaar verscheen Meer mensen dan reddingsvesten, de vierde bundel van C. Buddingh’-winnaar Willem Thies. De bundel bestaat uit vier afdelingen, waarvan de eerste, ‘Quitte’, beschrijft hoe binnen een relatie afstand ontstaat en weer afneemt – misschien niet precies ontstaat, niet afneemt, maar in elk geval: verandert.

Vanzelfsprekendheid zelf is waarin je je thuis kunt voelen, waarin je zonder onderbreking kunt bewegen.

Afstanden

Meteen – in de eerste twee regels van het openingsgedicht, ‘Indringer’ – wordt een wrijving geïntroduceerd. ‘Het mag zijn dat je lichaam mij bekend is, / het is mij niet langer welgezind.’ En: ‘Zijn warmte is de mijne niet, de rug een wand.’

De rug een wand, in plaats van iets waardoorheen de warmte stromen kan, iets dat de warmte door zou kunnen geven, zou kunnen delen. Een interessante kanttekening is misschien dat, als de rug eerst geen wand en het lichaam de spreker welgezind was, het nu niet de rug is die verandert, maar waarmee de rug vergeleken kan worden. Het is de vergelijking waarin een spanning voelbaar wordt – op een bepaalde manier is de afstand dan meteen ook talig. In het volgende gedicht, ‘Super U’, treedt juist ook de taal naar de voorgrond: ‘In deze supermarkt verstaat niemand onze woorden. / De koopwaar spreekt voor zich: een brood / is een brood.’

Op een bepaalde manier is dat je omgeving: de dingen die zichzelf geven, die voor zich (lijken te) spreken. Vanzelfsprekendheid zelf is waarin je je thuis kunt voelen, waarin je zonder onderbreking kunt bewegen. Aan het eind van het openingsgedicht stond eerder nog: ‘Je ligt stug / en onverschillig in je eigen huid, ik moet hier weg.’

Ik kan me niet meer herinneren wie het zei of schreef – dat onverschilligheid het tegenovergestelde van liefde is, niet haat. Het maakt ook dat hoe ik de ontwikkelingen net omschreef, misschien nog niet raak is. Er is geen afstand die ontstaat, er is een afstand die wordt weggenomen: onverschilligheid maakt dat de ruimte niet meer als tussen jou en je geliefde in zit. Ik bedoel het in lijn met wat Simone Weil eens schreef aan een vriend, Gustave Thibon: wie elkaar niet liefheeft is niet van elkaar gescheiden. Het is juist afstand die bindt, het gevoel dat er afstand tussen jullie bestaat – in plaats van het gevoel ergens weg te moeten.

Dat weg daar is niet ondubbelzinnig, de afdeling heet immers ‘Quitte’, waarin ook dat weggaan zit. Quitte staan, elkaar niets meer verschuldigd zijn (zoals je lichaamswarmte) maakt het ook juist mogelijk dat je weg kunt, voordat je dat al moet. In het derde gedicht raakt dat beladen: ‘Als we allebei verliezen / spelen we quitte.’ Ik zou daar – niet alleen, maar onder andere – elkaar verliezen in willen lezen. Elkaar verliezen, zodat je bij elkaar vandaan kunt gaan zonder dat je bij de ander achterblijft.

In het voorlaatste gedicht van de afdeling wordt de ander dan teruggevonden, en in de laatste, zonder titel, is dan als volgt:

Ze staat voor me, naakt als een brood.
Een en al dijen, borsten, schouders, hals.
Ze beweegt alsof ze een plan heeft opgevat
waarvan ze weet dat ze het waar zal maken.

Tussen ons in is niets meer dan ruimte
om te overbruggen. Tong, longen, stromend rood
haar. Vingers, wervels, brein, stamcellen. Alles deint
en suist. Er komt geen einde aan onze huid.

De afstand is (eindelijk) terug – de ruimte die er is om hem te kunnen overbruggen, of te willen overbruggen. Ruimte waarin de dingen met zichzelf kunnen samenvallen – haar naaktheid als brood, als wat voor zich spreekt, wat waar je ook zou zijn geen vertaling zou eisen.

In de loop van de bundel worden de spanningen echter onderhuidser.

Ik vind vooral de ‘alsof’ subliem, in regel drie. Het zou te makkelijk zijn eroverheen te lezen; seksuele toenadering als de clichématige verovering, het uitvoeren van een plan. Dat schrijft Thies niet. Ze beweegt alsof ze een plan heeft waarvan ze weet dat het zal slagen. Er is geen plan, maar zo beweegt ze – alsof alles al bedacht is en alleen nog uitgevoerd hoeft te worden. Liefde en seksualiteit maken alles singulier: de dingen vallen met zichzelf samen, elke beweging klopt, maar niet als onderdeel van een geheel of doel. Haar lichaam is ‘een en al dijen, borsten, schouders, hals.’ Alles neemt alle ruimte op, bestaat als zichzelf – zoals ook de ruimte, er is niets meer dan ruimte om te overbruggen; en zoals de huid, onze huid, die weer een geheel en die geheel is.

Oorlogen

Wie dat te perfect of te zoet vindt, moet niet vergeten dat het in het gedicht aan het plaatsvinden is. Ze staat voor me, en ze beweegt. In de loop van de bundel komt de spanning onderhuidser terug. Bijvoorbeeld hoe we de regel, uit een gedicht over de Eerste Wereldoorlog (‘Onze zielen verdierlijkt, het hart niet meer dan een spier’) weerspiegeld horen in de woorden van ‘Façade’:

Je ontwaakte uit een loden slaap en dacht aan iets schitterends.
Je dacht er te laat aan.
Ik zag je litteken aan voor een glimlach.
Het gras is te hoog.
(Ingegraven in schoon zand de scheermessen.)

Donker onze gezichten, dierlijk geschminkt.

Ik zal doen of je de eerste was.

Het bedient zich van taal die evengoed nog over de loopgraven had kunnen gaan, en er klinkt iets in door van hoe ook die sublieme momenten momenten blijven – ‘Je […] dacht aan iets schitterends. / Je dacht er te laat aan.’

In een gedicht dat net als het eerste ‘Indringer’ heet, dringt ook de dreigende taal binnen:

Wespen begraven hun kop in rijpe zware vruchten
Een paard aarzelt de brug te betreden
In bad de vrouw knieën boven het schuim
hoofd in de nek de mond iets open
scherpe hoektanden
bloot

Door in te grijpen in de interpunctie, door de punten weg te nemen, is het zowel de vrouw in bad zelf, als in het bijzonder haar tanden, die ‘bloot’ genoemd worden – het woord verdubbelt zich, neemt twee keer deel aan de opsomming die aan het ontstaan is: los, en als toevoeging op de hoektanden. In tegenstelling tot eerst wordt de ruimte méér dan afstand, er wordt plaats gemaakt voor dreiging.

Onverschillig is makkelijker. Je niet verhouden, de ander opgeven, kwijtraken, quitte staan. Want afstand is ambigu: kan er zijn om te bewaren, kan er zijn om te overbruggen. Bij het opnieuw openslaan van de bundel, na het horen van de oorlog, krijgt de herinnering die midden in het openingsgedicht stond een andere bijklank. ‘De haast waarmee we ons eens ontkleedden, de koorts / in onze ogen. Geladen waren onze lichamen, rusteloos.’

Geladen – maar waarmee?

Willem Thies - Meer mensen dan reddingsvestenWillem Thies
Meer mensen dan reddingsvesten
(Amsterdam: Uitgeverij Podium, 2015)

De website van Willem Thies
De website van Uitgeverij Podium

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *