Bespreking

‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

'I wish you the sunshine tomorrow' van Jennifer Rogers

Achterin Boekhandel Atheneum in Amsterdam, in de hoek met de poëziekast, vond ik een aantal jaren terug een dikke, zwarte, harde bundel: de verzamelde gedichten van Michel Bartosik, Schroomruil (2013). Ik wist niet, zoals waarschijnlijk weinig mensen dat weten, wie hij was. En dat was waarschijnlijk zo gebleven, ware het niet dat deze verzameling prachtig is uitgegeven (heldere druk, goed bezorgd, simpele, stijlvolle omslag). Een gewillig doel voor mijn impulsen.

Bartosik publiceerde tussen 1975 en 2003 vier-en-een-halve dichtbundel (de vijfde bestond voor de helft uit de vierde) en stierf in 2008 op zestigjarige leeftijd. Het nawoord van Erik Spinoy beslaat ongeveer een vierde van de zwarte pil en gaat uitgebreid in op het leven van de dichter en op zijn werk. Hij plaatst de abstracte gedichten over het onzegbare binnen het gezamenlijke oeuvre van de zogenaamde pink poets uit Vlaanderen en in het verlengde van Celan. Maar Spinoy wijst op één ding in het bijzonder: hoe Bartosiks gedichten veranderen na – of door – de dood van zijn vader.

Perfect lege cirkel

Bartosiks vroege werk wordt gekarakteriseerd door, aldus Spinoy, ‘de ervaring van een bestaan dat van elke transcendentie en daarmee van elk middelpunt is ontdaan. Zo’n bestaan is noodzakelijkerwijze versplinterd en niet meer tot een eenheid te brengen.’ Het wegvallen van zo’n verenigend principe betekent voor Bartosik geen nieuwe vrijheid – voor hem voelt het niet als het einde van een dictatuur waarin kerk of traditie bepaalt wat waar is of betekenis heeft. Bartosik is in een grafstemming:

Ravijngericht – aan
de eigen koude  grenzen –
ontstaat de taal verbaasd
in het scherfvlees van spiegels.
Waar de zwanezang zich
schuilhoudt: een hol tabernakel

De taal ontstaat als in scherven spiegel, weerkaatsend, gefragmenteerd maar wel – en dat bedoel ik met een grafstemming – gericht op de afgrond. Taal komt verbaasd aan het licht, zonder enige verwachting of anticipatie op wat ze zal betekenen, doch neigend naar de lege plek die God, bij wijze van spreken, achter heeft gelaten. Neigend naar de dood, om het kort te houden. Het openingsgedicht van Bartosiks tweede bundel heet niet voor niets ‘De dichter: herder van de dood’. Geen Goede Herder, merkt Spinoy op, eerder het tegendeel.

Hij – Spinoy – stelt dat het allemaal wel iets weg heeft van Derrida, volgens wie de taal ‘een gigantisch spiegelpaleis’ zou zijn, ‘waar betekenissen onophoudelijk glijden en verschuiven’. En dat is op zich helemaal geen slechte manier om Derrida’s conclusies over betekenis samen te vatten. Betekenis glijdt en verschuift omdat woorden geen schillen zijn die elk hun eigen betekenis bewaren. Betekenis ontstaat uit de wisselwerking tussen woorden, zinnen en teksten; tussen woorden aan het begin van een gedicht, in een bundel vol soortgelijke gedichten, geschreven in dezelfde taal als allerlei andere boeken. Hiermee zijn woorden evenmin de grafkisten waarin betekenis sterft voor ze goed en wel gelezen kan worden – wat betekent, betekent het echter voor eens en niet voor altijd noch voor iedereen. Ten minste, dat is hoe ik Derrida’s gedachten hierover iets uitgebreider zou samenvatten.

Er blijft niks van de woorden over, ze vallen tot niets uit elkaar

De jonge Bartosik behoort tot een pessimistisch, treurend slag van Derrida-discipelen: woorden zingen slechts de zwanenzang voor hun ten dode opgeschreven betekenissen. En hij heeft niet zozeer ongelijk maar wordt wel overheerst door een nostalgie voor een wereld waarin zijn gedachten of emoties onmiddellijk en absoluut eenduidig uitgedrukt konden worden (met andere woorden: een paradijs waarin hij nooit geleefd heeft). Het zit hem niet goed, dat glijden en schuiven. Bartosik schrijft bijvoorbeeld in een titelloos gedicht uit Rigor mortis (1978): ‘Zo mislukt álle spreken, woekert / in elke mond een vreemde mond, / wild vlees, teveel aan lip’. Van een mislukking – in het algemeen – is alleen sprake ten opzichte van die paradijselijke helderheid. Dat ook anderen hun woord doen terwijl we spreken is simpelweg hoe taal werkt. We kunnen niet maar één ding tegelijk zeggen.

In een ander gedicht uit dezelfde bundel zegt Bartosik het zo: ‘Het woordenboek verzinkt / in zee en zie: de woorden zwemmen // in elkander heen en weer’. Woorden zijn eigenlijk niet meer van elkaar te onderscheiden; ze zijn – zo schrijft Bartosik in een ander gedicht – ‘verdronken, / in de zeegrenzen opgeborgen’. Er blijft niks van de woorden over, ze vallen tot niets uit elkaar. Water in de zee. Weer een ander gedicht maakt het nog duidelijker:

Geen strand scheidt vandaag
onze blad aan blad gedroogde
tweespraken van de zee.

Lip aan lip
verlaten wij elkaar,
brokkelend onder
het eeuwenstof der spreeuwen,
zwijgend in het eenzame
gesprek met de zee.

Geen strand scheidt vandaag
onze blad aan blad gedroogde
tweespraken van de zee.

De bladzijdes zijn hier aan elkaar gedroogd; evengoed zijn de woorden die erop staan niet te onderscheiden. Er valt niets mee te zeggen. Tussen ons en tussen wie dan ook bestaat alleen een eenzaam zeegesprek, oftewel geen gesprek. Want wat zou je nog moeten vertellen met woorden die in elkaar uit elkaar vallen? Met de ‘tweespraken van de zee’? Zulk niets bereikt in dit werk van Bartosik een soort perfectie, vertegenwoordigd door de cirkelvorm van dit gedicht. We kunnen precies niets zeggen. Wie zou bovendien iets moeten zeggen? Ook ‘wij’ liggen ‘lip aan lip’, gesloten, stil. Taal is een perfect lege cirkel.

Strekt en strekt en strekt

Tien jaar na Rigor mortis verschijnt er nieuw werk van Bartosik, een dun bundeltje: Sunt lacrimae (1990). De titel betekent zoiets als ‘er zijn tranen’. Spinoy vertelt dat het de eerste woorden zijn waarmee Vergilius’ Aeneas om een vernietigd Troje treurt, zijn vaderstad. Vlak voor de publicatie van Rigor overleed Bartosiks vader, Stanisław Bartosik; zijn zoon lijkt schijnbaar in de jaren daarna gewerkt te hebben aan gedichten over hem, vierentwintig in totaal. Het zijn gedichten die in veel opzichten op zijn oudere werk lijken maar die toch ook staan voor een significante wending in Bartosiks schrijven, als dat niet te oneerbiedig klinkt.

Oneerbiedig? Ja, omdat een analyserende houding ten opzichte van deze rouw en verdriet op een bepaalde manier te koud is, te “theoretisch”. En zo’n soort ongemak is tegelijk weer tekenend voor de wending waar ik het over wil hebben omdat analyse misschien wel alles was waar het vroege werk van Bartosik zich voor leende.

Maar toen stierf er, na elke mogelijkheid tot communicatie, iemand:

Nu je verjaardag is ingeleverd
voor een nieuwe en je ogen
niet meer zijn sluit ik 

de mijne en strek onbeschaamd vertrouwend
de hand uit, in de lege dag,
in jouw naam.

Dit zijn de laatste twee strofes van het openingsgedicht van Sunt lacrimae, ‘Toereiking’. Na de eerste bladzij van de bundel, waar als op een rouwkaart de geboortedatum en sterfdatum – de nieuwe “verjaardag” – staan van de met naam en toenaam genoemde vader, spreekt dit gedicht in het bijzonder Stanisław aan, die ergens onder die data zou moeten liggen. De laatste drie regels gaan over de toereiking en ze spellen een schijnbare tegenstrijdigheid uit. Waarom is het bijzonder dat de spreker zijn hand zonder schaamte met vertrouwen in de lege dag van zijn vader strekt? Ik denk omdat het een vertrouwen is dat niet kan worden beschaamd. Het is een daad die niet kan mislukken. Wie reikt naar wie er niet meer is, kan niet misgrijpen.

Een gebaar dat noodzakelijk op niets uitloopt? Klinkt als het geruis van de zee, zou je kunnen zeggen. Klinkt als de zwanenzang van woordscherven. Maar er is een belangrijk verschil, en dat is het verschil tussen niets en afwezigheid, tussen niet en niet meer. Dit gedicht spreekt iemand aan die het niet meer kan lezen, wiens ogen ‘niet meer’ zijn. Er zit een gat in dit gedicht, gelaten door naar wie het reikt maar wie het niet bereikt. Dat is hier geen gebaar dat mislukt, het heeft eigenlijk niet zoveel met lukken te maken. Voor iets om te mislukken moet er meer dan één uitkomst mogelijk zijn. Rouwen is een ander soort beweging. Die strekt en strekt en strekt.

In ‘Kamers’ komen we nog een bekende formulering tegen. Het gaat over ‘De kamer waarin een dode toeft’:

Zie – één boog zich         schikte
de handen         lei ze nauw
keurig in elkander
zoek.

Zelfs de zee is terug, in het ‘nauw’ (een zee-engte, zoals de straat van Gibraltar). Deze keer zijn het de handen van een dode die in elkaar zoekzwemmen. Voor wie het nog niet duidelijk genoeg was dat Bartosik met zijn oude werk worstelt, zorgt Bartosik dat de openingsregel van dit gedicht dezelfde is als het voorlaatste van Rigor Mortis:

De kamer waarin een dode toeft
moet een kamer van voldaanheid zijn.
Het lichaam heeft de slaap ontvangen,
der dingen sprakeloze elegantie,

In ‘Kamers’ is die kamer ‘een soort débarras. / Veeg licht staat weggezet in de hoek; iemand is zelfs zijn dweil / vergeten’. Dat ‘débarras’ is nogal een betekenisknoop. Het betekent opbergruimte, bevrijding en een uitroep als ‘opgeruimd staat netjes!’

Bartosik herwerkt hier secuur een oud gedicht en oude motieven. Het gaat om de kleinste verschillen. In het oude gedicht is de dood een voltooiing; het lichaam spreekt eindelijk met de sprakeloze elegantie waar elk spreken toe gedoemd is, de absolute stilte. Dat het lichaam van Bartosiks vader opgeruimd is, nauwkeurig in zichzelf zoekgelegd, heeft daar ook iets van weg. Het verschil is dat dit lichaam opgeruimd is als wat overblijft, als een rest, als wat herinnert aan wie ervan is bevrijd. Ik probeer die bevrijding niet te normatief, niet te positief te lezen. Buiten dat lichaam is Bartosiks vader nergens te vinden; zoek.

Maar het is wel zijn vader die zoek is:

Er is niemand         de nacht
is rond mij         je ligt nergens begraven
Mijn vader         hier ben ik

De spaties, de blanco ravijnen die Bartosik in een aantal regels van Sunt lacrimae aanbrengt, scheiden hier vader en zoon. Ten minste, in de laatste regel. Er ontstaat ook een elliptische vraagzin: ‘Er is niemand / is rond mij / Mijn vader’. Een lezing die schuurt met het verloop van de onderbroken zinnen, zodat hier nog steeds niet simpelweg bevestigd wordt dat zijn vader om hem heen is, als ‘niemand’. Niet alleen de vraag blijft open, het blijft open of die vraag wel gesteld kan worden. Maar ook: het gat in dit gedicht is misschien niet zozeer van niemand maar van iemand. Ook al is hij afwezig, de zoon spreekt hem aan voor zover dat kan.

SchroomruilMichel Bartosik
Schroomruil: Verzamelde gedichten
(Gent: Poëziecentrum, 2013)

Een pagina over Michel Bartosik
De website van Poëziecentrum

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

3 gedachten over “‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader”

  1. hans zegt:

    goed geschreven bespreking, harm …
    groet, hans

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *