Bespreking

De zeer oude zong

Harmen Steenwijk - Vanitas

Is het een gedicht waarover iemand het nog zou kunnen hebben, Luceberts ‘De zeer oude zingt’? Sommige gedichten of dichtregels zijn misschien zo bekend geworden, heeft ‘iedereen’ al zo sterk ingeprent, dat we elkaar niet echt meer horen praten als we het erover proberen te hebben. Net als het feit dat je misschien Koplands ‘Jonge sla’ niet meer kunt voordragen zonder dan vooral het totaal doodgelezen-zijn van dat gedicht ten gehore te brengen.

Laat ik dat dan maar als uitgangspunt nemen, dat ik het niet (meer) over ‘De zeer oude zingt’ kan hebben. Als dat niet kan, maar ik schrijf alsof ik het doe, dan heb ik het over iets anders – misschien is dat nog iets waard. Want als zoiets, die onleesbaarheid door overexposure, iets is dat in principe elk gedicht had en zou kunnen overkomen, gaat niet elk gedicht daar dan (onder andere) over? Over hoe het zichzelf onleesbaar maakt?

De zeer oude zingt

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

Zoals, in de eerste regel, het gedicht zijn eigen lezen meteen al met terugwerkende kracht onmogelijk lijkt te willen maken, met het ‘er is niet meer bij weinig’. Ik bedoel: als je die regel voor het eerst zou lezen, (als we ons dat nog werkelijk voor kunnen stellen), als je het op volgorde tot je zou laten komen, dan klinkt dat woord ‘meer’ nog niet als een vergelijking, maar als onderdeel van een niet-meer-zijn. Aan het begin van het gedicht is ‘er’ al niet meer. Wat niet? Dat niet, misschien – het antwoord op die vraag. En zelfs de mogelijkheid om die vraag te stellen wordt al in twee woorden uitgewist, dat ‘bij weinig’ dat de nadruk van het ‘meer’ verandert, iets dat met de tweede regel, ‘noch is er minder’, alleen nog maar wordt versterkt – het ‘minder’ dat samen met ‘noch’ een tegenovergestelde moet worden, en de eerdere lezing van ‘meer’ naast zich neer legt.

Maar het gedicht maakt ook dat ontdoen ongedaan. We zijn met dat uitwissen niet bij een eind aangekomen, waar nu de betekenis van de openingsregel voor eens en voor altijd helder is en blijft. Het ‘noch’ dat de tegenstelling maakt, lijkt te worden herhaald, maar wordt óók vervormd – ‘nog is onzeker wat er was’, waarmee die eerdere vraag, van wat niet meer is, opeens weer terugkeert. (Al kunnen we ons niet verbeelden dat die vraag als zodanig terugkeert, alsof de vorige paar regels niet plaatsvonden, we die niet net gelezen hebben. Met andere woorden: alsof we niet, sinds die regels, voor altijd op onze hoede zijn voor de mogelijkheid dat die zin iets anders zal blijken te zeggen.)

Misschien laat dit alles zich tot nu toe zich samenvatten in wat volgt, in dat ‘wat wordt wordt willoos’ – wat, in dat geval, doet wat het zegt. Alles wat wordt (zoals het gedicht dat in wording is, wanneer we het lezen) wordt van wil ontdaan, want alles kan door wat volgt worden vervormd. Geen betekenis is veilig tegen de mogelijkheid dat wat daarna komt, de nuances die het probeerde af te leggen toch benadrukt, de ‘overbodige’ betekenissen naar de voorgrond haalt. Hoewel het ‘eerst als het is’, (zoals de openingszin, voordat we doorlezen), ‘ernst’ is – nog gemeend, nog oprecht – herinnert het zich ‘heilloos’. Wat er is wordt niet gered, hoeft niet te hopen op verlossing, eerder het omgekeerde. Wat blijft ‘blijft ijlings’, het kan op elk moment vertrekken.

(Ik beeld het me in als die ene oom, die op je verjaardag meteen op het puntje van z’n stoel gaan zitten, alsof hij alleen gaat zitten om zo vlug mogelijk weer op te staan, om te kunnen zeggen dat hij er geweest is, maar er eigenlijk helemaal niet heeft willen zijn.)

In al die regels horen we dat ook, in het ‘noch … nog’, ‘wordt wordt’, ‘is is’, ‘eerst … ernst’, we horen die nadrukken verschuiven, (bijna) dezelfde woorden aangehaald worden maar steeds met andere bedoelingen, in andere betekenissen.

Waarna de misschien meest onleesbare regel volgt, het losgerukte, doodgeciteerde ‘alles van waarde is weerloos’. Een regel die misschien dan, in een soort ironische voorzienigheid, zijn eigen lot beschreef. Het werd ‘van aanraakbaarheid rijk’ en ‘aan alles gelijk’, als een slogan, een motto, een loze lijfspreuk om de muur mee op te vullen, als een makkelijk op kussenslopen te drukken gevoel van diepzinnigheid of sentimentaliteit.

Zodat ook dat ‘weerloos’ dubbel klinkt. Het is niet – niet alleen – dat het gedicht zich niet kan weren tegen zijn aanraakbaarheid – dat wil zeggen, tegen de mogelijkheid oneindig te worden herhaald. Het is dat de waarde van het gedicht in dat herhalen niet terugkeert. Zoals we ‘willoos’ en ‘heilloos’ konden lezen als zonder wil, zonder heil, zo kunnen we weerloos lezen als zonder weer. Alles van waarde blijft achter, vanaf het moment dat het is, is het (haast) al niet meer. Door alles wat komt wordt het vervormt, wellicht tot het punt van verdwijnen. Ook in die zin is waarde weer-loos.

En waar net het gedicht nog geen einde vond, het ontdoen zelf weer ongedaan moest worden, daar lijkt het uiteindelijk voorbij zijn eigen einde te schrijven, door zijn laatste regel te herhalen. Is dat geen vreemde omschrijving? ‘De laatste regel te herhalen’? Dan is het dus niet de laatste, zou je willen zeggen. Tegelijkertijd is wat herhaald wordt, ‘als het hart van de tijd’, inderdaad de laatste regel. Ik kan hem in feite niet eens citeren. Want welke van de regels herhaal je, als je hem nog eens opschrijft? Ze zijn samen te herhalen, misschien, alleen de regels als herhaalde regels kun je citeren, ‘als het hart van de tijd / als het hart van de tijd’. De losse frase, ‘als het hart van de tijd’, kun je alleen zelf, weer, herhalen – waarbij wat van waarde was, achterblijft, en het misschien wel een nieuwe waarde krijgt, maar niet de waarde die het had. Altijd nieuwe waarde, andere waarde. Herhaling herhaalt iets anders.

Goed woord, in feite – opnieuw. Waarmee we die herhaling willen benoemen, maar dat alleen kunnen door het nieuwe eraan te benadrukken. En dat vond in feite al tijdens het gedicht plaats – tijdens het lezen, zodat ‘De zeer oude zingt’ zelfs de eerste keer al achterbleef, in feite nooit voor de eerste keer gelezen is – er was nooit één lezing, een lezen dat één stabiel geheel wist te vormen. Elk gedicht is van begin af aan al aan ijlings aan het blijven, willoos aan het worden, is van meet af aan iets dat je je slechts heilloos herinneren kunt. Het gedicht is niet de optelsom van zijn regels, alsof niets daaraan ooit verloren ging – ons verder lezen zorgt niet voor een vervollediging van het gedicht. Het gedicht wist zich ook de hele tijd uit, en dat waarmee we achterblijven is geen totaal, geen voltooid bouwwerk, maar als de vlekken op je netvlies na het zien van een lichtflits.

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

Een gedachte over “De zeer oude zong”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *