Bespreking

Een paar gedachten over Raymond Carver en alledaags geluk

Doisneau uitsnede

Raymond Carvers gedichten behoren tot de poëzie die ik het vaakst herlees. Ze doen me veel, en ze hebben ook een thema dat ik heel interessant vind: alledaagsheid. Nou ja – thema? Je kunt het niet echt over gewoonheid hebben zonder het uit te zonderen, centraal te stellen oftewel: op te laten vallen. Carver schrijft veeleer alledaagse gedichten, ook al gaan ze over de zwaarste thema’s. Ze tonen ondertussen iets van de gewoonheid van elke dag, van het dag-voor-dag waarmee een mensenleven plaats moet vinden, van de vluchtigheid ervan ook.

Om kwistig te zijn

Nadat het hem gelukt was te stoppen met drinken, nadat hij daarvoor met zijn vriend en redacteur Gordon Lish had gebroken, nadat hij daarvoor weer doorbrak als de Tsjechov van Amerika, schreef Raymond Carver in vijf jaar vier bundels poëzie. Het waren de laatste jaren van zijn leven, en hij bracht ze veelal door in bed, zwak van de longkanker.

In zijn oeuvre verschijnt er pas een gedicht na die breuk met Lish. Gordon Lish – voor wie het verhaal nog niet kent – heeft de verhalen van Carvers eerste twee bundels “geredigeerd” tot de compacte, strakke, harde werken die we nu kennen en die Carver beroemd hebben gemaakt. Soms verving hij zo ongeveer een hele alinea door een zinsdeel. En dat werkte: Will You Please Be Quiet, Please? en What We Talk About When We Talk About Love bevatten legendarische verhalen. Maar nadat Carver gestopt was met drinken, voelde het voor hem niet goed meer om zo ingrijpend geredigeerd te worden. Hij had gedacht dat hij nooit meer zou schrijven, vertelde hij Lish in een brief, en nu het toch lukte, kon hij zijn werk niet meer op zo’n manier uit handen geven.

Hij kon zijn werk niet meer op zo’n manier uit handen geven

Volgens zijn tweede vrouw en poëzie-redacteur, dichteres Tess Gallagher, schreef Carver echter altijd al poëzie. Het is dus misschien toeval dat hij ze pas na zijn breuken, met Lish en met whisky, begon te publiceren. Maar ik ontkom niet aan het idee dat zijn poëzie op eenzelfde manier van hem moest blijven en op eenzelfde manier als zijn verhalen getuigen van een schrijver die zichzelf een stijl toe begon te staan. Om kwistig te zijn, en niet spaarzaam, zoals de meeste jonge schrijvers  tegenwoordig sterk aangeraden wordt. In haar introductie bij All of Us, de verzamelde gedichten, schrijft Gallagher: ‘Overreach was natural and necessary to him, and to fault him for it would be like spanking a cat for swallowing the goldfish.’

Ik vertel dit allemaal omdat ik, persoonlijk, Carvers poëzie niet meer buiten deze context kan lezen. Die kwaliteit komt alleen maar beter uit in contrast. Lish heeft wat dat betreft op dus op twee manieren gelijk als hij (retorisch) vraagt : ‘Had I not revised Carver, would he be paid the attention given him?’ Het is misschien een dubieuze eer, maar dankzij Lish’ rigoureuze ingrepen kunnen nu we ook de wat mij betreft zachtaardigere, empathische Carver lezen, de min-of-meer ongedwongen Carver. Dat zijn poëzie zo gewoon aanvoelt heeft iets te maken met het gevoel dat ze onversneden is, dat er teveel staat. Het gedicht waar ik over wil schrijven, ‘Happiness’, is een goed voorbeeld van die alledaagsheid:

So early it’s still almost dark out.
I’m near the window with coffee,
and the usual morning stuff
that passes for thought.
When I see the boy and his friend
walking up the road
to deliver the newspaper.
They wear caps and sweaters,
and one boy has a bag over his shoulder.
They are so happy
they aren’t saying anything, these boys.
I think if they could, they would take
each other’s arm.
It’s early in the morning,
and they are doing this thing together.
They come on, slowly.
The sky is taking on light,
though the moon still hangs pale over the water.
Such beauty that for a minute
death and ambition, even love,
doesn’t enter into this.
Happiness. It comes on
unexpectedly. And goes beyond, really,
any early morning talk about it.

Voorbij

Allereerst lezen we over de jongens, die er gelukkig uitzien. Carver, of wie er ook maar uit het raam kijkt, ziet ze stil hun krantenronde lopen. ‘They are so happy’, schrijft hij, dat ze nergens over praten, ‘that they aren’t saying anything.’ Het is een subtiel enjambement dat de verschillende klanken van de regels benadrukt. Zijn de jongens zo blij dat ze niks meer zeggen, omdat ze niks zeggen, of is het simpelweg een samenloop van omstandigheden? De jongens zeggen niks; ze zijn blij. In deze ene regel brengt Carver het geluk van de jongens ter sprake en laat tegelijk zien hoe moeilijk geluk kan worden geduid.

Carver kan hun geluk alleen laten zien door de lezer er samen met hem toeschouwer van te maken. Dan kantelt er iets en maken we niet zozeer iets mee van het geluk van de jongens maar van het geluk van Carver zelf, dat wil zeggen: van de toeschouwer (ons). Dat scharnierpunt is bijna niet aan te wijzen, denk ik. Als Carver zich een voorstelling maakt van wat de jongens misschien zouden willen, dat arm-in-arm, dan zijn we wellicht al doorgeschakeld, van hen naar hem. Maar waar – geen idee. Dat we eigenlijk geen scharnierpunt aan kunnen wijzen heeft te maken met hoe Carver ons deelgenoot maakt van het geluk dat hij meemaakt bij het zien van de jongens. ‘It comes on / unexpectedly’, voor je het weet, ben je gelukkig.

Ze overrompelt ons, zodat we er eigenlijk niet bij zijn

Waar het eerst nog ‘almost dark’ was, blijkt dat de lucht nu langzamer lichter wordt. Zelfs al is de maan er nog. Eigenlijk is het die onbepaaldheid die het uitzicht zo mooi maakt. En dan hebben – voor even – dood, ambitie en ook liefde hier helemaal niets mee te maken. Overwacht is alles een moment niets anders dan wat het is: het eerste licht, een bleke maan, deze jongens. Met andere woorden: een geluk. Met andere woorden, dat wat voorbij gaat aan ‘any early morning talk about it.’

En voor je het weet, is het voorbij.

(Dat Carver zich voorstelt dat de jongens, als ze het konden, ze elkaars arm zouden nemen, voegt cultuur of dogma toe aan het lijstje dood, ambitie en liefde. Dat lijstje geldt voornamelijk voor hen, hoop ik, wij kunnen het bij liefde laten.)

Iets minder geparafraseerd zou ik zeggen dat geluk opgaat aan de ervaring. Ze is onvoorspelbaar, onverwachts – ze overrompelt ons, zodat we er eigenlijk niet bij zijn om het geluk dat we ervaren nog te onderzoeken. En daarom hebben de jongens misschien niets te zeggen. Het geluk van de krantenronde is niets anders dan de krantenronde. Het geluk bij het zien van de jongens is niets anders dan het zien van de jongens. En om dat te beschrijven moet Carver ons even geven om comfortabel in het gedicht te gaan zitten, zodat het geluk wat hij ons mee laat maken bijna niet te onderscheiden is van gemakkelijk gebabbel, de eenvoudige beschrijving van een uitzicht. Om toe te staan dat het geluk erin oplost, zoals het in een dag opgaat, moet het gedicht een overschot bevatten, meer dan je zou denken dat nodig is. Lish had in plaats daarvan het gedicht waarschijnlijk geschrapt, of vervangen door een prachtige maar in zijn scherpheid ongelukkige zin.

Over dat geluk bestaat bij gratie van een overschot heb ik een gedicht van Emily Dickinson op mijn telefoon opgeslagen:

I had a daily bliss
I half indifferent viewed,
Till sudden I perceived it stir, –
It grew as I pursued,

Till when, around a crag,
It wasted from my sight,
Enlarged beyond my utmost scope,
I learned its sweetness right.

Een dagelijkse gelukzaligheid kunnen we niet anders dan zo’n beetje onverschillig bezien. Op het moment dat we er ons volkomen bewust van worden, vervluchtigd het. Vlucht het – en Dickinson zet de achtervolging in. Ik moest het woord ‘crag’ opzoeken; het betekent zowel klif als rots, diepte en hoogte. Toepasselijk, want Dickinsons geluk verdwijnt uit het zicht, maar niet als een damp, maar omdat het te groot wordt om in één keer waar te nemen.

Op die manier leert Dickinson pas goed hoe zoet dat gelukzalige gevoel was. En dat begrip ligt iets complexer dan dat ze begrijpt dat je geluk niet tegelijk kunt ervaren en onderzoeken. Ze leert niet simpelweg: dat ze gelukkig was omdat ze er niet over nadacht. Want het geluk zat hem niet alleen in haar, in wat zij wel of niet dacht of voelde, het ging op in meer dan ze ooit zou kunnen bevatten. Het verdwijnt in de kranten, de tas, de straat en de huizen, het lost op in de bleke maan, het water, de lucht.

En ergens is dat ook een gelukkige realisatie, denk ik, van Dickinson. Je kunt geluk best opmerken, zodra het je zachtjes overrompeld heeft. Zo’n opmerking – ‘fijn, hè’ of ‘dit is goed’ – jaagt geluk niet over de rand, geluk was nooit ergens anders dan daar: voorbij elk perspectief.

Raymond Carver - All of Us

Raymond Carver
All of Us
(New York: Vintage, 2000)

Een website over Raymond Carver
De website van Vintage

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *