Bespreking

‘Maar je hebt vaker iets opgegeven, als op een schaakbord’ – Van begrijpelijkheid en eigenheid; van dragen, belichamen en winst

Van groot belang

Telkens als er een nieuwe dichtbundel van Nachoem M. Wijnberg verschijnt – en dat betekent: bijna jaarlijks – herhaalt zich tussen de opvattingen van de dichter en de reacties van een deel van de recensenten een vreemde patstelling. Recensenten grijpen veelvuldig terug op een paradoxaal termenpaar om Wijnbergs gedichten te duiden, zoals helder en raadselachtig of direct en hermetisch. Die twee zijn dan tegelijkertijd van toepassing op de gedichten, waarbij desalniettemin de term aan de ‘mystieke’ kant van het spectrum de overhand lijkt te hebben – de poëzie lijkt helder en direct maar blijft raadselachtig, hermetisch, ondoordringbaar. Het gedicht wordt dus voordat het lezen is begonnen vastgesteld als een ‘geheim’ – en dat is geen ongebruikelijke leeshouding van poëzie in het algemeen – waarbij Wijnbergs poëzie zijn geheim ‘behoudt’ ondanks de helderheid van de taal.

Ten tweede wordt vaak opgemerkt dat Wijnberg ‘naast’ dichter ook hoogleraar in de economie is. Ook die beweging is niet een unieke in het geval van Wijnberg – zodra een dichter of schrijver een opleiding heeft gevolgd aan de bètakant van de faculteiten, maar ook als hij of zij nadrukkelijk vermeldt een bepaalde sport op hoog niveau te beoefenen, wordt diens identiteit vaak in tweeën gespleten. In het geval van Wijnberg blijven de ‘gebieden’ van ‘de poëzie’ en ‘de economie’ vervolgens de rest van de recensie twee afzonderlijke werelden, die niet overlappen, maar in zijn werk (hoogstens) een wisselwerking of kruisbestuiving ondergaan.

Wijnberg zelf spreekt dit soort opvattingen in interviews meestal tegen. Zo ook in het interview dat in juli in het NRC Handelsblad verscheen, naar aanleiding van de bundel die eind vorig jaar verscheen, Van groot belang. Wijnberg zegt zelfs: ‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.’ Hoe kan het dat Wijnberg al een kwarteeuw door veel mensen nadrukkelijk anders gelezen wordt – en dan met name als ondoordringbaarder – dan hoe hij zegt dat hij te lezen is? Is Wijnberg de begrijpelijkheid van zijn werk al meer dan twintig jaar aan het onderschatten? Volgens mij niet.

Het idee van een geleegd bewustzijn

De twee bewegingen – van het constateren van een ondoordringbare helderheid en van het aanbrengen van een scheiding tussen Wijnbergs gedichten en ‘hun onderwerp’ – hangen samen. Een voorbeeld.

In het NRC Handelsblad van 19 februari 2016 recenseert Arie van den Berg Van groot belang, en schrijft daar onder andere het volgende: ‘Tweehonderdvijftig pagina’s lang toont [Wijnberg] de fascinerende wisselwerking tussen de blikvelden van zijn vakgebieden. In het universitaire milieu zal zijn bundel als een opeenstapeling van pseudo-logische probleemstellingen en drogredenen worden ervaren; poëzielezers zullen vergeefs naar lyriek zoeken. Je kunt je afvragen of Van groot belang wel poëzie bevat.’

De ‘onleesbaarheid’ is geen gevolg van Wijnbergs schrijven, het is een gevolg van de scheiding.

Het is niet een specifiek gedicht van Wijnberg dat Van den Berg in staat stelt te vragen of de dichter wel poëzie schrijft, het is het onderscheid dat Van den Berg zelf maakt: door eerst economie en poëzie te denken als afzonderlijke ‘blikvelden’, die een ‘wisselwerking’ kunnen hebben, kan hij vervolgens stellen dat beide bij elkaar niet vinden wat ze (volgens hem) zoeken: redeneringen en lyriek.

Een lichte herhaling van die beweging kun je zien doorschemeren in een opmerking van Arjen Fortuin, wanneer hij in de inleiding van het aangehaalde interview van zowel Van groot belang als de eerdere bundel Nog een grap stelt: ‘Het is niet de eerste keer dat [Wijnberg] zijn onderwerpen buiten de gebaande dichterspaden zoekt.’

Het is denk ik niet zozeer dat Wijnberg zijn onderwerpen buiten bepaalde paden zoekt, hooguit dat andere dichters zich van de meeste paden hebben teruggetrokken. Hoe kan het dat we, wanneer Wijnberg over economie schrijft, we hem vervreemdend vinden, van hem spreken alsof hij ‘de poëzie’ toepast op iets ‘erbuiten’, maar wanneer in een dichtbundel de economie buiten zicht blijft, we geen enkele moeite hebben te stellen dat die over ons leven gaat? Is ons leven niet door en door economisch?

Het is een denkstap die Wijnbergs poëzie in feite bij voorbaat al op een bepaalde manier onleesbaar maakt. Die onleesbaarheid is geen gevolg van Wijnbergs schrijven, het is een gevolg van de scheiding – veronderstellen dat we weten wat economie is, wat poëzie is, en dat die twee niet overlappen. Het is als het idee dat een bewustzijn losstaat van datgene waarvan het zich bewust is. Wat overblijft als het ‘meest heldere’ denken, wanneer je alle specifieke ‘inhoud’ weglaat, is: geen idee hebben. Wijnbergs poëzie kan worden ervaren als helder maar ondoordringbaar omdat men ‘zijn poëzie’ scheidt van ‘zijn (huidige) onderwerp’, en als je dan slechts de poëzie zelf probeert te duiden, is die nergens moeilijk van taal, maar is er niets meer om tot door te dringen.

Het onderwerp is juist in beide gevallen gelijk.

In het interview spreekt Wijnberg er, zij het soms subtiel, anders over: ‘In de wetenschap en de literatuur gaat het mij om hetzelfde: kijken naar hoe mensen leven en daar iets meer van begrijpen.’ Natuurlijk, een wiskundige vergelijking drukt iets anders uit dan de meeste Nederlandse zinnen, maar de blik is gericht op hetzelfde, het onderwerp is juist in beide gevallen gelijk, en erg algemeen: hoe mensen leven. Geen velden – één veld vanuit verschillende hoeken.

Een ‘eigen’ stem

Ook de eigenheid van Wijnbergs stem of stijl wordt vaak benoemd. Dat valt volgens mij niet helemaal te ontkennen: de manier waarop Wijnberg schrijft is onmiddellijk herkenbaar. Toch is dan de stap naar hermetiek of ondoordringbaarheid, alsof Wijnberg ons al dertig jaar een geheim niet vertellen wil, te snel gemaakt.

Wat te denken van de volgende regels: ‘Het beste kun je veel vrienden hebben die in de lijsten willen hangen / en er dan niemand in hangen.’

Afgezien van de vraag of die regels ondoordringbaar zijn, of ze maar helder schijnen, lijkt een van de beste argumenten tegen Wijnbergs soms vermeende hermeticisme het feit dat niet hij, maar Anne Broeksma deze twee regels schreef, in haar bundel regen kosmos kamerplant. Waar ik op doel is dit: is het puur het geval dat Broeksma hier ‘als Wijnberg’ klinkt (gebruik van ‘je’, herhaling van laatste woord van de regel, het gevoel te maken te hebben met een mentaal stappenplan), of doen deze dichters in dit geval misschien iets soortgelijks, iets wat, zou daaruit moeten volgen, geen unieke gave van Wijnberg is? Iets wat misschien iedereen kan die een krant kan lezen?

Wijnbergs stijl wordt soms ook beschreven op een manier die hermetiek expliciet uitsluit, door te betogen dat Wijnbergs poëzie zich ‘losmaakt’ van betekenissen, dus ook geen verborgen betekenis heeft – maar ook zo’n kader laat de gedachte niet toe dat de manier waarop je hem zou moeten lezen, niet verschilt van een alledaagse. Anderhalf jaar voor mijn geboorte schrijft Marc Reugebrink over De expeditie naar Cathay in de Volkskrant:

‘Woorden zijn ons vanzelfsprekend bezit zolang we ons opgenomen weten in een bepaald verband dat aan die woorden een betekenis geeft. Dat verband stelt ons in staat om met die woorden een ander iets duidelijk te maken, om elkaar verhalen te vertellen. Die verhalen vormen onze werkelijkheid. Maar voor Wijnberg bestaat het verband niet meer, en daarmee worden alle verhalen en woorden betekenisloos. Op dit punt aangekomen had Wijnberg voor het zwijgen kunnen kiezen, of voor een dichterschap dat trachtte dit zwijgen uit te drukken, voor de zogenaamde ‘autonomistische’, ook wel ‘hermetische’ of zelfs ‘witte’ poëzie. Maar Wijnberg wil iets anders […]: de sprekende stem moet een eigen stem zijn; de woorden die de dichter gebruikt moeten losgemaakt worden van het aloude verband waarin ze nog steeds staan, moeten worden ontdaan van betekenissen en essenties waarmee onze westerse cultuur in de loop van haar geschiedenis de taal heeft opgezadeld en die vals zijn gebleken’.

Toegegeven, dit schrijft hij dus over Wijnbergs 3e bundel, niet diens 15e, een kwarteeuw later. Maar vrijwel dezelfde opmerking en typering maakt Albert Hogeweij in 2011 over Als ik als eerste aankom wanneer hij schrijft, over een volgens hem minder geslaagd gedicht: ‘In dit gedicht wilden de woorden zich niet loszingen van hun betekenis. Alsof ze de schijnbewegingen van de dichter ditmaal hadden doorzien.’

De dichter maakt volgens deze schrijver schijnbewegingen, probeert te zorgen dat de woorden zich loszingen of worden ontdaan van betekenissen die ‘vals zijn gebleken’. Dat is heel iets anders dan wat Wijnberg in het recente interview stelt: ‘Je schrijft niet puur om je bereik te vergroten, maar je hoopt wel mensen ervan te overtuigen dat je gedichten de moeite waard van het lezen zijn. Het begint ermee dat je niet in een private language schrijft. Je houdt rekening met de betekenissen die een lezer in je gedicht kan vinden – ze moeten coherent zijn. Je een publiek voorstellen helpt dan.’

Wijnbergs taal is onze taal, is verweven met waar we over spreken.

Een eerste stap tot het denken in kader dat aan kan sluiten bij Wijnbergs eigen opmerkingen, is misschien om het niet te hebben over eigenheid, maar over herkenbaarheid, en dan niet precies de herkenbaarheid van ‘Nachoem M. Wijnberg’, de dichter, maar de herkenbaarheid van een bepaald soort spreken. Een soort spreken dat we met name met Wijnberg associëren, dat wel, maar dat ook te herkennen is bij andere dichters, wanneer ze doen wat Wijnberg veelvuldig doet, misschien in mindere mate, of niet een heel gedicht lang.

Wanneer Wijnberg in het interview zijn opvatting van een gedicht als kennisinstrument uitlegt, zien we ook hoe dat idee op z’n plek kan vallen. Hij stelt dat, om te begrijpen hoe mensen met elkaar zijn of hoe iemand zichzelf ziet, literatuur veel bruikbaarder is dan wiskunde. Waarom? ‘De patronen in de taal zijn al verweven met de patronen van ten minste een deel van waar we over spreken. (…) Misschien overschat ik onze taal wel hoor, en komt er een buitenaards wezen dat zegt: met mijn taal kan ik de mensen veel beter begrijpen dan met jullie krakkemikkige taaltje. Dat is een mogelijkheid. Maar ik heb niets beters.’

Pogingen Wijnbergs poëzie te duiden zijn niet onmogelijk of onzinnig omdat er een raadsel aan ten grondslag ligt, juist het omgekeerde.

Wijnbergs taal is onze taal, jullie taaltje, en die is verweven met waar we over spreken. Is, zegt hij, ‘meegebakken in hoe we samen leven’. Zijn stijl is dan niet zozeer een opeisen van die taal voor zichzelf, geen bezit nemen van die taal, of los-laten-zingen van die taal. Wijnbergs stijl is misschien beter te denken in termen van intensivering – een intensivering van het Nederlands – en is geschreven van binnenuit: zijn gedichten gaan niet ‘over’ onderwerpen als daarvan-onderscheidbare instanties, die evengoed leeg zouden kunnen zijn van die onderwerpen. Wijnberg begint bij hoe we al over de onderwerpen spreken – zoals ook een krant de wereld in meerdere of mindere mate duidt, dat goed of slecht kan doen, door gebruik te maken van hoe wij al over de wereld spreken.

Dat zou ook de opmerkingen verklaren waarin men stelt dat het duiden van Wijnbergs poëzie onmogelijk lijkt, of niet de bedoeling zou zijn, zoals bijvoorbeeld de opmerking van Tenny Frank, die op de website van Perdu schrijft dat ‘ieder gedicht iets raadselachtigs [heeft] waarbij een poging tot duiding onzinnig lijkt’. Pogingen Wijnbergs poëzie te duiden zijn niet onmogelijk of onzinnig omdat er een raadsel aan ten grondslag ligt, eerder andersom: omdat de gedichten zelf al bezig zijn de wereld te duiden in een taal die meteen al de onze is – zij het preciezer, of doordachter. Het is niet dat mensen te weinig moeite doen Wijnberg te lezen, het is dat ze vóórdat ze beginnen te lezen al te veel moeite hebben gedaan dichterbij hem te komen – door bijvoorbeeld te veronderstellen dat ze zijn gedicht niet in één keer gaan begrijpen, dat er nog een geheim aan te ontwaren valt.

De opmerking van Hans Puper op Meander, ‘Het kan eenvoudiger en dat weet Wijnberg ook’, moeten we dan misschien ook omkeren. Want de titel, waar Puper in die opmerking op doelt, is misschien niet zozeer ‘ingewikkeld’ (hoewel Wijnberg dat woord ook zelf wel gebruikt), maar gewoon ‘uitgebreid’. Er bestaat een mantra in de programmeerwereld: ‘simpel is beter dan complex, complex is beter dan ingewikkeld’. Wijnbergs zinnen zijn wellicht niet op elk moment simpel, maar ik geloof niet dat die, zoals Puper zegt, eenvoudiger zouden kunnen, alsof hij een andere zin zou kunnen zeggen dan die hij zegt, om alsnog hetzelfde te zeggen. Op het moment dat een regel of titel complex wordt, probeert het gedicht misschien gewoon iets te zeggen dat nu eenmaal niet simpel is. Zoals Wijnberg in het interview opmerkt: ‘Poëzie is juist wat het meest intense contact met de werkelijkheid toestaat. En hoe ingewikkeld een gedicht ook kan zijn, het is nog steeds veel simpeler dan de werkelijkheid.’ Als we de leeshouding, waarin Wijnbergs spreken niet ‘over’ de werkelijkheid gaat als iets dat daarbuiten staat, maar aan de werkelijkheid is onttrokken als onderdeel daarvan, dan is het gedicht dus altijd, hoe moeilijk ook, een vereenvoudiging. En zoals Wijnberg zelf al zegt: ‘Daar kun je het mee oneens zijn, maar hoe kan je zeggen dat dat niet begrijpelijk is?’

De ironie is dan dat Wijnberg zich, en volgens mij met recht, een van de meest begrijpelijke dichters kan noemen – omdat hij meteen al schrijft om begrepen te worden, en niet geïnteresseerd is in een vorm van zelf-expressie die interpretatie nodig zou hebben – maar dat ik inmiddels krap tweeduizend woorden nodig heb gehad om inzichtelijk te maken waarom mensen daar zo gemakkelijk (niet: te gemakkelijk) aan voorbijgaan. We zijn niet gewend dat de dichter al zoveel moeite doet dichtbij te komen – dat we ons geen bijzondere, op hem afgestelde leeshouding hoeven aan te meten.

Hoe dan ook: met dit alles in het achterhoofd is het lezen en recenseren van Wijnbergs poëzie dus iets anders dan duiden, interpreteren, uitleggen, en dus moet een recensie iets anders willen doen dan dat. In lijn met poëzie als kennisinstrument moet de kritiek misschien, in de eerste plaats, op de gedichten willen doordenken.

Φανατικό για γράμματα

Ik ben niet van plan hier een bespreking van ‘heel’ Van groot belang te schrijven. Ik denk overigens ook niet dat dat mogelijk is, niet alleen bij Wijnberg, maar bij poëzie überhaupt – je hebt een tekst nooit uitgelezen. Er valt door een bundel een lijn te trekken, van een denken dat zich door het lezen heen ontwikkelt.

Dat tijdens het lezen ontwikkelen voorkomt dat we al te gemakkelijk zouden kunnen spreken over drogredenen of vreemde gedachtekronkels, want een denken dat zich werkelijk ontwikkelt is niet voorbereid op wat het gaat denken – op wat het, beter gezegd, gaat leren denken. Als we de manieren waarop poëzie de waarheid kan spreken reduceren tot een blijkbaar vastgestelde verzameling gangbare redeneringen, reduceren we elk denken tot het slechts realiseren van iets wat we al denken. We moeten het gedicht de kans geven onze vooronderstellingen in twijfel te trekken. We kunnen het met wat daaruit voortkomt oneens zijn, of het gedicht kan op ons – naar zijn eigen aard – inconsistent overkomen, maar het maakt geen fouten, zoals die in een redenering voor zouden kunnen komen.

De lijn die ik zou willen trekken begint aan het eind, bij het gedicht met de langste titel van de bundel (en dat in de woorden van Puper ‘te mooi [is] om niet te citeren’ – inderdaad): ‘In een gedicht van Kaváfis zegt een jongeman uit Sidon dat Aeschylos iets opgaf toen hij niets anders op zijn grafsteen liet zetten dan dat het veld van Marathon getuige van zijn dapperheid is, en de langharige Pers is er ook achter gekomen – ik lees eerst dat de jongeman uit Sidon vindt dat Aeschylos had moeten blijven spreken zoals in zijn toneelstukken en niet plotseling als iemand die in een café vertelt hoe hij die man die dacht dat hij klein en zwak was een lesje geleerd had, maar daarna zie ik dat de jongen enkel zegt dat hij ook op zijn laatste dag aan zijn toneelstukken had moeten denken en niet enkel aan die middag in de zon, met de Perzen tegenover hem’.

Het gedicht dat Wijnberg naar aanleiding van al deze dingen schrijft, blijft vrij kort, en heeft bijna de aard van een kanttekening.

Hoewel de voorkennis niet noodzakelijk is, maakt Wijnberg het niet moeilijk het gedicht van Kaváfis te vinden, de titel wordt vrijwel letterlijk genoemd: ‘Jongemannen van Sidon’. De situatie is zoals Wijnberg die al deels beschrijft: de jongemannen van Sidon hebben een ‘acteur’ uitgenodigd om hen te vermaken met voordrachten. Op een gegeven moment draagt de acteur het grafschrift van de tragedieschrijver Aeschylus voor, waarop enkel nadrukkelijk vermeldt staat dat hij dapper meevocht tegen de Persen. Van de jongeman die daarop reageert, waarover we bij Wijnberg lezen, wordt gezegd dat hij φανατικό για γράμματα is – een fanaat voor de letteren, voor letters.

De jongeman lijkt eerst inderdaad te zeggen dat Aeschylus op zijn grafsteen had moeten spreken zoals hij zijn tragedies schreef – in de Engelse vertaling van George Valassopoulo:

Let the great poet give ― I say ― to his art all his strength,
all his care, and again remember his art
in his adversity, or when his life is ebbing.

Enkele regels later wordt duidelijker dat het niet gaat om de manier waarop het grafschrift geschreven is, maar wat er niet vermeld is:

(…) and for the sake
of his memory he mentions only
that in the soldiers’ ranks
he also fought (…)

Het gedicht dat Wijnberg naar aanleiding van al deze dingen schrijft, blijft vrij kort, en heeft bijna de aard van een kanttekening:

Je geeft iets op
als je zegt dat je dapper was,
niet enkel dat je meeliep
in een leger dat een halve dag nodig had
om voorbij te lopen.

Maar je hebt vaker iets opgegeven,
als op een schaakbord,
en je tegenspeler
merkte pas aan het einde van de dag,
dat je er meer voor terugkreeg.

Ondanks het gebrek aan woorden als rentevoet, belasting of geldvoorraad – en dat is wat ik bedoel met het niet zonder meer kunnen scheiden van een gedicht en zijn ‘onderwerp(en)’ – is dit gedicht misschien een van de meest economische. Niet alleen in de zin van dat het, in vergelijking met zijn eigen titel en de andere gedichten van de bundel, bondiger is, minder ‘woorden verbruikt’, maar ook omdat het wezenlijk gaat over een economisch proces: iets opgeven om er, later, meer voor terug te krijgen. Het idee dat je, om rijker te worden, de keuze kunt maken armer te worden. Wat wezenlijk verbonden is met het idee van een ‘groter goed’, zoals het opofferen van een stuk in schaken – dat heeft enkel zin omdat de speler niet geeft om zijn speelstukken an sich, maar puur om de winst.

Het jongenslichaam als gift en schaakstuk

Ook in een ander gedicht, ‘Avond’, verwijst Wijnberg naar Kaváfis, nu naar twee verschillende gedichten (in de Engelse vertaling ‘From the School of the Renowned Philosopher’ en ‘Of Colored Glass’), die worden vergeleken:

Kaváfis schrijft over een jongeman
die nog niet wist wat voor carrière hij wilde,
maar dacht dat hij nog tien jaar lang
mooi genoeg zou zijn om binnengelaten te worden waar hij ’s avonds voor
de deur zou gaan staan.

Hij was daar klant,
maar dacht dat hij daar nog tien jaar
mooi genoeg voor zou zijn.

Kaváfis schrijft ergens anders dat hij ontroerd is
door een detail in de kroning van Johannes Kantakouzenos en Irene,
dochter van Andronikos Asan.

Dat mag hij zeggen,
zoals hij zegt dat het avond wordt.

Als gekleurd glas in plaats van edelstenen
symbool is van wat passend is te hebben,
bij een kroning of een huwelijk
dat volkomen gemaakt wordt
door de lichts mogelijke kronen boven de hoofden van de bruid en
bruidegom te houden,
wat is dan dat wat passend is om te hebben?

Eerst een kleine opmerking over die strofe, die haast een terzijde lijkt: ‘Dat mag hij zeggen / zoals hij zegt dat het avond wordt.’ Dat is misschien een strofe waar iemand van zou kunnen denken dat die iets raadselachtigs uitdrukt, behalve als we ons beseffen dat Kantakouzenos kroning vijfhonderd jaar vóór Kaváfis geboorte plaatsvindt. Kaváfis mag over de kroning spreken zoals hij zou mogen zeggen dat het avond wordt – dat wil zeggen, ongeacht of het nu avond wordt, ongeacht of hij die kroning nu werkelijk meemaakt. Het spreken kan iets anders doen dan puur commentaar leveren op de werkelijkheid, puur daaraan worden toegevoegd – zoals Wijnberg zelf vanuit de taal schrijft. Het gedicht maakt onderdeel uit van de werkelijkheid, dat is waarom we in het schrijven en lezen ervan met iets werkelijks en wezenlijks bezig kunnen zijn.

Kaváfis schrijft veel over jongens zoals in het eerste gedicht dat hier wordt aangehaald (zoals ze ook recent nog langskwamen in een blog van Arjen van Lith), jongens die hun lichaam kennen als het ‘handelswaar’ dat het in potentie is. In het gedicht over de jongen die ‘nog niet wist wat voor carrière hij wilde’, zoals Wijnberg het zegt, vertelt Kaváfis dat de jongen eerst filosofie studeerde onder Ammonios Sakkas, maar dat dat hem begon te vervelen. Daarna ging hij de politiek in, maar daar was hij omgeven door barbaren, dus ook dat gaf hij op. Vervolgens interesseerde hij zich even in het christendom, maar dat zou zeker een ruzie met zijn ouders veroorzaken. Maar hij moet iets. In de vertaling van Edmund Keeley en Philip Sherrard:

But he had to do something. He began to haunt
the corrupt houses of Alexandria,
every secret den of debauchery.

In this fortune favored him:
he’d been given an extremely handsome figure.
And he enjoyed the divine gift.

His looks would last
at least another ten years. And after that?
Maybe he’ll go back to Sakkas.
(…)

Or in the end he might possibly return
even to politics (…)

Er wordt een soortgelijke beweging gemaakt als in het gedicht over Aeschylus: de jongen geeft iets op, iets waar hij wellicht meer voor terugkrijgt, ‘aan het einde van de dag’, inderdaad – Wijnberg heeft het gedicht tenslotte ‘Avond’ genoemd.

Als we die vergelijking dan verder doordenken, en het laatste gedicht als ‘gereedschap’ gebruiken, kunnen we opmerken dat het lichaam van de jongen hier als het schaakstuk geworden is – en dat de winst zich dus op een hoger niveau moet bevinden, binnen een spel waar dat lichaam slechts een deel van uitmaakt. Terwijl de jongen het op een bepaalde manier toch ook zelf is, wie of wat hij opgeeft.

Zijn lichaam, zijn schoonheid, die hij draagt terwijl hij die desalniettemin belichaamt.

Dat vormt een mogelijke brug naar de tweede helft van het gedicht, waarin het gaat over de kroning van Johannes Kantakouzenos en Irene. Die kroning vond plaats tijdens een staatsgreep, in ballingschap, en Kaváfis schrijft dat het paar vanwege hun armoede in plaats van edelstenen, gekleurde stukken glas gebruikte. Hij schrijft ook dat hij dat op geen enkele manier onwaardig, of vernederend vindt, dat die gekleurde stukken glas zelfs een symbool lijken:

symbols of what they deserved to have,
of what surely it was right that they should have
at their coronation—a Lord John Kantakuzinos,
a Lady Irini, daughter of Andronikos Asan.

Wijnberg maakt ons attent op een vreemde verdubbeling die hier plaatsvindt. De hele bezigheid van het kronen is van zichzelf al een symbolische aangelegenheid. Waarvoor staan de gekleurde stukken glas precies symbool, als dat wat ze vervangen – de edelstenen – zelf een symbolische functie hadden in het kronen, en als dat kronen evengoed voltrokken kan worden met het glas? Welke rol spelen de edelstenen nog, of wat heeft het glas nu meer dan dat, bovenop hun rol als symbolische edelstenen?

Als, met andere woorden, Kantakouzenos en Irene krijgen wat passend is om te hebben bij een kroning, namelijk het koningschap, wat hadden ze dan moeten hebben?

Het antwoord lijkt iets te zijn van het symbolische zelf. De edelsteen, waarvan het edelsteen-zijn niettemin geen enkele rol speelt in waarvoor ze het hadden moeten hebben.

Op diezelfde manier kunnen we ons voorstellen dat wat de jongeman, in het begin van het gedicht, opgeeft – zijn lichaam, zijn schoonheid, die hij draagt terwijl hij die desalniettemin belichaamt – is als de edelstenen. De jongen behoudt wie hij is terwijl hij er iets van weggeeft, in de hoop er alsnog iets, meer zelfs, voor terug te krijgen.

In de gedichten is er – om de thematiek onder het soort term te brengen die Wijnberg in de rest van de bundel veelvuldig bezigt, in feite ons soort termen, als mensen in 2016 – winst te maken, er is sprake van een commercieel inzetbaar bezit, waarvan de substantie echter moeilijk aan te wijzen is.

Het bezitten van het symbool

Al deze thematiek komt elders in de bundel ook tot uiting, in een aantal gedichten die zich afspelen tegen de (impliciet gelaten) achtergrond van het koningschap van Saul, de Oudtestamentische eerste koning van het volk Israël. Laten we de gedachten tot nu toe samenvatten in de volgende zin:

Je kunt hebben wat en wie je bent, (en dat, dus, verhandelen).

Die gedachte wil ik uitspelen langs de gebeurtenissen van het gedicht ‘Koning maken’:

Zij komen je een
voor een vragen
of je niet een koning
voor hen kunt maken.

Dan komt een van
hen naar je toe
die denkt dat hij iets
heeft om je te betalen.

Als je hem koning
gemaakt hebt gaat hij weer
op het land werken,
alsof er niets veranderd is.

Zij komen nog een keer
vragen of je nog een keer een
koning voor hen wilt maken,
misschien dezelfde man.

Heb je een van hen
iets afgenomen? Als zij
dat denken wil je het nu
meteen teruggeven.

Het verloop van het gedicht is ontleend aan de gebeurtenissen die beschreven staan in het eerste boek van Samuel, in de hoofdstukken 8 tot en met 12.

Tot dan toe, sinds het volk van Israël na hun exodus land heeft veroverd, hebben ‘richters’ hen leidinggegeven (waarvan de bekendste waarschijnlijk Simson is). Samuel, de profeet, zal de laatste zijn. Hij stelt eerst zijn zoons nog aan tot richters, maar omdat zij zich laten omkopen en handelen uit winstbejag, komt het volk hem om een koning vragen. (Merk hier meteen de relevantie op van wat Samuel later zal vragen, ook in het gedicht: of hij ‘een van hen / iets afgenomen’ heeft).

Door het hele verhaal speelt de spanning tussen bezit en symbool een grote rol.

Er is een verschil in dat een richter niet over het volk regeert. Samuel wil eerst weigeren iemand te kronen, maar God zegt hem: ‘Geef gehoor aan de stem van het volk (…) want zij hebben niet ú verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.’ Het is een symbool dat hier verhandeld wordt, dat God hier opgeeft, maar dat symbool is wel het bezitten van het volk. Een koning zal het volk in plaats van Hem bezitten, hun productie mogen opeisen, hun lichamen en arbeid. Dat dat echter een symbolisch bezitten is, blijkt wel uit hoe de kroning verloopt. In het begin is Saul op zoek naar een verdwaalde ezelin, en wanneer hij aankomt in de plaats waar Samuel zich op dat moment begeeft, stelt zijn knecht voor dat ze ‘de man Gods’ raadplegen om te vragen waar ze het dier terug zullen vinden. Saul vraagt waarmee ze hem zullen betalen, en de knecht heeft nog wat geld (zoals in het gedicht). Zodra Saul bij Samuel komt, zegt Samuel dat Saul zich over de ezelinnen niet druk moet maken, want ten eerste zijn ze al gevonden, en ten tweede zal ‘alles wat begerenswaardig is in Israël’ toch van hem zijn. Nadat Saul gezalfd is, en daarmee het eigendom van God heeft ontvangen, gaat hij echter terug naar waar hij woonde, zonder iemand over zijn koningschap te vertellen. Samuel roept het volk bijeen, en door middel van het lot wordt Saul opnieuw als koning aangewezen. Het volk juicht, maar er zijn ook mannen die Saul als koning niet zien zitten – en hem geen geschenk brengen. Het bezit van Saul is dus niet vanzelfsprekend, blijft op een bepaalde manier iets waar de mensen zelf naar kunnen handelen.

Later, wanneer Saul het volk heeft verdedigd tegen een aanval van een naburig volk, vraagt men waar die mannen zijn, die Saul niet hadden erkend, en ze stellen voor het koningschap te vernieuwen. Daarna begint Samuel zijn toespraak, waarin hij vraagt of hij iemand iets heeft afgenomen, en als dat zo is, dat hij het terug zal geven, voor hij sterft.

Door het hele verhaal speelt de spanning tussen bezit en symbool een grote rol, een spanning die Wijnberg er in zijn – nadrukkelijk kortere, eenvoudigere gedicht – uit destilleert. Het gedicht heet al ‘Koning maken’, en een van de eerste vragen is wellicht: hoe doe je zoiets. We lazen al dat een kroning zo symbolisch is, dat zelfs de symbolen kunnen worden vervangen door weer andere symbolen. In het geval van Saul kan het met hetzelfde gemak twee keer kan gebeuren.

Wat echter, zoals Wijnberg laat zien, van het grootste belang is, is dat het koningschap niet gekocht zou mogen worden. Het koningschap moet op een bepaalde manier worden ontvangen, zonder tegenprestatie – zoals Kaváfis over het lichaam van de jongen schrijft als een θείαν δωρεάν, een goddelijke gift. Zelfs het geld dat Saul Samuel voor een heel andere zaak brengt, loopt het gevaar symbolisch de functie te krijgen van een tegenprestatie.

Samuel laat aan het eind van zijn leven het volk beamen dat hij niemand iets afgenomen heeft, zodat niemand kan beweren het koningschap op eigen kracht te hebben verkregen. Het koningschap behoorde God toe, en Hij heeft het opgegeven.

Hebben en zijn

En daarmee ben ik bijna aan het einde gekomen van de lijn die ik voor ogen had. Het denken langs die lijn speelde zich af in de spanning tussen hebben en zijn, wat concrete vormen aannam in de concepten van bezit, van opgeven en van het symbool.

Het symbool, dat zo klein kan zijn dat het geen verschil lijkt uit te hoeven maken – zoals de koning terugkeert naar het land ‘alsof er niets veranderd is’, na zijn kroning, en zoals de ontbrekende edelstenen van Kantakouzenos. Het symbool dat even weinig lijkt te zijn als het verschil tussen het zijn en het hebben van je lichaam.

Dat echter mogelijk maakt dat precies dat verschil verhandeld kan worden. Het bijna-niets kan ondanks alles worden opgegeven, je kunt je lichaam blijven zijn terwijl je het bezit ervan uit handen geeft. Het koningschap maakt mogelijk dat heel een volk het bezit wordt van één mens, terwijl zij in alle opzichten hetzelfde zullen blijven zijn, en kunnen handelen alsof dat niet zo is, de koning niet hoeven te erkennen. Waar Wijnberg onze aandacht op vestigt, is dat ook zoiets een bepaalde waarde heeft, op waarde te schatten is – niet puur in de zin van dat iemand dat, persoonlijk, waardevol vinden kan, maar dat iemand er mee kan handelen, dat het opgaat in al die wirwar van verhoudingen, producties, consumpties, maar ook bijvoorbeeld gesprekken en liefdesverklaringen, die we al dan niet herkennen als economisch.

Want wat was het, uiteindelijk, dat Aeschylus in het laatste gedicht van de bundel opgaf, toen hij op zijn graf enkel zijn dapperheid op het slagveld besloot te vermelden, en niet zijn prestaties als schrijver? Is het niet zoiets symbolisch als reputatie, als wie mensen zeggen dat je bent? En was Aeschylus niet simpelweg zo zeker van zijn prestaties als schrijver, dat hij die zelf niet meer hoefde te noemen, wilde hij die reputatie behouden? Precies de reactie van de jongeman, de fanaat voor de letteren, op het ontbreken ervan, zorgt ervoor dat hij die behoudt – inderdaad als een slimme schaakzet. Terwijl niemand, aan de andere kant, Aeschylus zal roemen om zijn militaire loopbaan. Met het opgeven van het zelf benoemen van zijn literaire reputatie, wint hij misschien een nog grotere: die van de grote tragedieschrijver, die echter zijn dapperheid nog belangrijker vond om te vermelden. Wiens dapperheid, waar niemand meer getuige van zal zijn, dan haast wel nog grootser zou moeten zijn dan al die tragedies, waarvan iedereen millennia later nog steeds de kwaliteit kan ervaren.

Het symbolische kan niet alleen worden verkocht, je kan er ook winst in maken. En precies op je grafschrift moet je misschien zo handelen dat het je de meeste symbolische winst oplevert, want alles wat je bent, tot aan je lichaam aan toe, zul je kwijtraken, maar wat je hebt – wat jou toebehoort, hoe symbolisch dat ook is – overleeft veel langer dan dat.

Nachoem M. Wijnberg - Van groot belangNachoem M. Wijnberg
Van groot belang
(Amsterdam: Atlas Contact, 2015)

De Wikipediapagina van Nachoem M. Wijnberg
De website van Atlas Contact.

 

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

3 gedachten over “‘Maar je hebt vaker iets opgegeven, als op een schaakbord’ – Van begrijpelijkheid en eigenheid; van dragen, belichamen en winst”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *