Bespreking

De Hopper-belijdenissen I: ‘now we know more now less’

2-1-nighthawks-kleiner

In de komende weken wil ik een verzameling gedichten van Anne Carson lezen. Ze komen uit Men in the Off Hours (2000) en heten Hopper: Confessions. Zoals die titel al samenvat, ensceneert Carson in deze gedichten een soort ontmoeting tussen de Amerikaanse schilder Edward Hopper en de kerkvader Augustinus. Dit is geen unieke praktijk voor Carson, die in dezelfde bundel de Griekse historicus Thucydides en Virginia Woolf leest over hun idee van oorlog en die Roland Barthes recentelijk een laat geboren presocratisch filosoof noemde (in The Albertine Workout (2014)). Mij interesseerde deze specifieke afdeling van Men in the Off Hours meteen omdat ik bij Boek 4 ben in mijn trage lezing van Augustinus’ Confessiones – spoiler: zijn beste vriend is net gestorven. Van Hopper wist ik daarentegen nog niet dat zijn werk me erg aansprak in de manier waarop hij stille momenten onderzoekt.

Voor het lezen van deze gedichten, die steeds de titel dragen van een bepaald werk van de schilder, mocht ik een eind vooruit bladeren in Augustinus’ belijdenissen, naar Boek 11. Daaruit citeert Carson steeds onder elk gedicht. In deze stukken zal ik steeds een of twee gedichten lezen, om zo recht te doen aan de manier waarop Carson de schilderijen verwerkt. Ondertussen werken we langzaam uit wat Carson ondertussen uitwerkt, over tijd en het moment.

Geen vanzelfsprekendheid

First things first, de titelpagina. Naast de titel, die dus luidt Hopper: Confessions, staat er een citaat van de schilder op deze bladzijde: ‘I hope it does not tell an obvious anecdote / for none is intended.’ Als we de titel als context voor het citaat mogen nemen, zou wat Hopper ook belijdt geen voor de hand liggende anekdote moeten blijken – dat was in ieder geval niet zijn bedoeling.

Echter, het eerste gedicht van de verzameling, Carsons poëtische lezing van zijn beroemdste schilderij Nighthawks (dat je hierboven ook kunt bekijken), heeft wel iets weg van een anekdote, of in ieder geval een verhaal:

I wanted to run away with you tonight
but you are a difficult woman
the rules of you–

Past and future circle round us. 
        Now we know more now less
                in the institute of shadows.

                On a street black as widows
        with nothing to confess
our distances found us

the rules of you–
so difficult a woman
I wanted to run away with you tonight.

Het gedicht is, denk ik, geschreven vanuit het perspectief van de ene man aan de bar, met naast hem die vrouw in kwestie. Hij spreekt een onvervuld verlangen uit om met haar weg te vluchten.

Onderaan het gedicht schrijft Carson het volgende citaat uit Boek 11:

Yet I say boldly that I know that if nothing passes away, time past were not.
And if nothing were coming, time future were not.
And if nothing were, time present were not.

Dit wordt wel Augustinus’ voorlopige, eerste definitie van tijd genoemd. In mijn vertaling gaat dit vooraf door een paar bijna komisch directe vragen van de kerkvader: ‘Want wat is tijd? Kan iemand dat even kort uitleggen?’ Tijd lijkt namelijk iets heel vanzelfsprekends tot je uit moet leggen wat het precies zou zijn: ‘Zolang niemand het me vraagt, weet ik het wel. Maar als ik op deze vraag antwoord moet geven, weet ik het niet meer.’ Dan begin je, ‘boldly,’ te vertellen dat er geen verleden zou zijn als er niets voorbij ging, noch toekomst als er niets meer zou komen, noch heden als er niets was.

De anekdote die Carson in Nighthawks leest gaat over tijd (en is dus verre van een ‘obvious anecdote’). Vannacht wilde hij met haar wegvluchten, maar zij blijkt moeilijk, te moeilijk misschien. Nog niet weg, maar ook niet thuis, zitten ze in dat lege restaurantje. Omcirkeld door verleden en toekomst: alle tijd die tot dit moment heeft geleid, en de toekomst die er misschien niet uit zal zien zoals hij verlangt. Het donker om hen heen als de sluier van een weduwe, voor wie alles alleen nog voorbij is. Wat nu? ‘Now we know more now less,’ schrijft Carson: nu kennen we meer nu minder. Het is een heel rijke regel. Nu kennen we het vorige moment, het vorige nu, niet langer als heden maar als verleden – nu kennen we meer nu’s minder. Het is een regel die de verlamming van het stel samenvat. Op het punt van vluchten, aan de grens van een andere toekomst, blijft de tijd, onvervuld, verstrijken. Zo blijven ze in de cirkel van het gedicht rondgaan – er gaat voorbij, er komt, en toch staan ze stil.

Het is een vreemd soort heden, waarbij je kunt vragen wat er eigenlijk nog over is voor deze man.

Maar – is er eigenlijk wel sprake van een anekdote of een verhaal? In de brede zin wel, natuurlijk, want zelfs de anticipatie van een gebeurtenis moet plaatsvinden, zoals Carson ons laat zien. Maar in een veel engere zin verhaalt dit gedicht over het punt waarop de relatie van deze mensen een verhaal zou kunnen worden. Het gedicht anticipeert een gebeurtenis, een toekomst, die hun levens zou veranderen.

Gaat dit gedicht, en dit schilderij, dan wel over tijd? Want ergens lijkt het ironisch, om bij een afbeelding na te denken over tijd; Hoppers diner is voor altijd vastgelegd, er zal nooit iets aan die voorstelling veranderen. Die man en die vrouw blijven voor altijd waar ze zijn. Maar Carson laat zien dat Hopper hier precies dat punt schildert, het punt waarop er nog niets is gekomen of voorbij is gegaan, waarop er dus eigenlijk ook nog niets is – het punt waarop er iets zou kunnen veranderen. Hopper schildert het moment waarop alles plaats moet vinden, het nu. Maar het is een specifiek nu – het is het onvervulde nu. Het nu waarin er uit de toekomst nog niets van naam verleden aan het worden is.

Het is een vluchtig heden, dat voorbij gaat voordat er iets is gebeurt.

En in de volgende gedichten zullen we lezen wat dit alles met de eeuwigheid te maken heeft – Carson is niet voor niets een kerkvader aan het citeren.

men-in-the-off-hours

Anne Carson
Men in the Off Hours
(New York: Vintage, 2000)

De Wikipediapagina van Anne Carson
De pagina van Vintage

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

2 gedachten over “De Hopper-belijdenissen I: ‘now we know more now less’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *