Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Eugene Delacroix

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Vegters gedicht is exemplarisch voor het soort gedicht dat men zich inbeeldt bij ‘geëngageerde poëzie’, zoals de eerdergenoemde artikelen al laten zien. Volgens mij schiet het gedicht echter op een wezenlijke manier tekort. In het slechtste geval is het een vorm van popcorn-empathie: zet het de situatie en zware beelden in zodat wij kunnen voelen hoe erg wij het vinden, wij kunnen ervaren hoe oneens we het zijn met de problemen in de wereld – en is dat niet fijn, collectief doorhebben dat het nog goed zit met ons inlevingsvermogen? In het beste geval is het gedicht misschien oprecht empathisch, maar steunt het impliciet nog op het volgende idee: we zouden vluchtelingen moeten helpen omdat we zelf, in hun situatie, geholpen zouden willen worden. Dat lijkt misschien houdbaar, maar is ook in die axiomatische vorm gevaarlijk, want het houdt evengoed in: over alles wat ons onmogelijk kan overkomen, waarin wij ons niet kunnen inleven, waar ons verbeeldingsvermogen tekortschiet, daar hoeven we niet over in te zitten. Het probleem is dat die vorm van engagement nog steeds de hoogste prioriteit geeft aan het ‘ik’ als een onafhankelijk, stabiel en in principe neutraal zelfconcept. We moeten mensen helpen in de mate waarin wij ze hadden kunnen zijn, of we ons dat ten minste voor kunnen stellen. Dat is misschien empathisch, maar juist daardoor niet geëngageerd – het inleven zit het meeleven in de weg.¹

‘Wat ik vroeger engagement achtte.’

Vorig jaar verscheen nummer 154 van Deus Ex Machina, onder het thema Poëtica. Elf dichters werd naar hun poëtica gevraagd, en aan het eind van het nummer schreef Kila van der Starre er aantekeningen bij. Haar stuk opent zo: ‘Lange tijd dacht ik geëngageerde poëzie te kunnen onderscheiden van niet-geëngageerde poëzie. Gedichten die protesteerden tegen de Vietnamoorlog, poëzie die hedendaagse politieke wanorde aan de kaak stelt en ecokritische gedichten plaatste ik tegenover liefdesgedichten, anekdotische poëzie en existentiële mijmeringen over het ik.’

Dat laatste voorbeeld is niet willekeurig gekozen, de poëtica’s van de dichters blijken vol te staan met een op het ik gericht engagement, en haar onderscheid ‘kwam telkens meer op losse schroeven te staan’. Ze is echter niet volledig overtuigd. Ze vraagt bijvoorbeeld, als deze mensen met name ‘over zichzelf’ schrijven, hoe het dan zit ‘met de levens en lichamen van anderen, buiten deze groep?’

Probleem is in beide gevallen dat de besprekers niet voldoende gevoelig zijn voor de problematiek van elk ‘ik’.

Die ‘groep’, die Van der Starre noemt, zijn (een deel van) de besproken dichters onder elkaar. Ze stelt dat daar volgens deze dichters het engagement ligt: ‘Niet in het spreken voor een ander. Niet in het spreken over een ander. Niet in het bereiken van een groot publiek. Maar in het schrijven over jezelf voor een gemeenschap van dichters die hetzelfde doen.’ Ze vraagt zich af of ze kan accepteren dat dat engagement is, en welke term ze dan moet gebruiken voor ‘wat [ze] vroeger engagement achtte.’

Ik neem aan dat ze daarmee doelt op gedichten als Vegters ‘De overkant’.

Laurens Ham haalde Van der Starre’s stuk recentelijk aan in zijn recensie van de laatst verschenen bundels van Maarten van der Graaff en Frank Keizer (in de 3e DW B van 2016). ‘Is de gemeenschap rond deze dichters niet een erg klein kringetje?’, vraagt hij zich af. Hij stelt daarbij onder andere dat het namedroppen onder deze dichters (het feit dat ze elkaar, soms enkel bij voornaam, noemen in hun gedichten) door hun positie niet gelegitimeerd zou worden – met daarbij de opmerking dat de dichters zich tekort zouden doen: ‘hun vaak fascinerende werk is niet slechts relevant voor een club insiders.’

Verliest een gedicht zijn relevantie zodra er een persoonsnaam in staat die je niet herkent? Schrijf je voor iemand, zodra je diens naam in je gedichten verwerkt?

Probleem is in beide gevallen dat de besprekers niet voldoende gevoelig zijn voor de problematiek van elk ‘ik’, en hoe de dichters (in elk geval Van der Graaff) zich daartoe weten te moeten verhouden.

‘Ik’ en namedropping

Opvallend is dat Laurens Ham, die met name in het bespreken van Keizers bundel Lucebert veelvuldig ter vergelijking aanhaalde, die laatste dichter niet meer noemt wanneer hij een probleem maakt van het namedroppen. Als er ooit een Nederlandse dichter was die de namen van zijn vrienden gebruikte in zijn poëzie, dan was het misschien wel Lucebert. Bijvoorbeeld in ‘het materiaal van de dichter’, het eerste gedicht van het in 1957 verschenen Amulet:

het gedicht een onzichtbare roman
begonnen voordat het is begonnen
en het eindigt niet dan met een
vreselijke blijdschap in het hart:

(o bloedende os van mijn verbeelding
opgehangen tussen twee marmeren wolken
je bloed druipt op alle dingen die ik aanraak
af zie zie zo wordt de wereld van lieverlede
geslacht gereinigd en gegeten)

steeds de landelijke standbeelden voor steeds of voor ooit
en met het openvouwen van elke krant
breek ik weer open het graf of ontplooit zich de moederschoot
als godsbewijs ontpopt elk plot zich als komplot
tegen het vroeger het later
kousbroek heeft het vliegtuig uitgevonden
remco gaat nooit dood

De laatste regel doet denken aan Remco Camperts in 1955 in Het huis waarin ik woonde gepubliceerde gedicht ‘Poëzie is een daad’:

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

(…)

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.

De dood, zoals Campert die opvoert (en waarvan Lucebert schrijft dat ‘remco’ hem nooit zal ondergaan), verschilt misschien maar weinig van hoe Van der Graaff die inzet in zijn recentste bundel, Dood werk (waar ik al eerder over schreef). Het gedicht overleeft de dichter. Dat is geen naïef optimisme, dat is in vrijwel alle gevallen een empirisch feit. Lucebert is nog te lezen, en Van der Graaff zet ‘zichzelf’ als dode in. Het ik is in al deze gevallen geen verwijzing naar een of andere levende persoon, ongeacht of de dichter van de gedichten nog leeft of niet, en zo’n opvatting van het woord is onhoudbaar. Elke vorm van verwijzing – ook die van termen als ‘ik’, ‘hier’ en ‘nu’ – werkt per definitie ook in de afwezigheid van de schrijver, zelfs bij gratie van de potentiële afwezigheid van welke schrijver dan ook.

‘Je zou denken dat het overal tussen kan en toch paste het nergens.’

Het ‘ik’ is dan ook iets wezenlijk anders dan een zeker persoon van vlees en bloed, ergens op aarde. Dat is waar we ons bewust van moeten zijn. Dat is wat er misgaat in de naïeve, op inleving gestuwde vorm van engagement – die ervan uitgaat dat politieke of sociale betrekking bereikt wordt door vanuit onszelf voor of over (woorden die ook Van der Starre gebruikt) de ander te schrijven. Dat houdt in: wij staan vast, en vanuit onze stabiliteit kunnen wij de ander op de been helpen – de zoveelste incarnatie en uiting van onze (westerse) dominantie.

Een dichter als Mischa Andriessen stelt dan ook terecht zijn vragen bij de mogelijkheid van zulk poëtisch engagement. In Jeroen Dera’s stuk over zijn eerste twee bundels, te lezen in Dichters van het nieuwe millennium, wordt hij daarover aangehaald uit een stuk dat hij in 2011 in de Revisor publiceerde. Dera schrijft dat ‘[Andriessen] betwijfelt of dichters een politieke boodschap kunnen prediken in hun werk, omdat dit veronderstelt dat het lyrische ‘ik’ een afspiegeling van de dichter vormt. De relatie van het poëtische ‘ik’ tot de wereld is echter hoogst ingewikkeld: ‘Heeft de dichter wel in de hand of en zo ja hoe hij zich kan verhouden tot de wereld? Dat kordate woord ‘ik’ staat zo weer op het klembord en staat daar mogelijk nog als de tekst al is opgeslagen en verstuurd. Je zou denken dat het overal tussen kan en toch paste het nergens’.’ Je kunt voor dat ‘ik’ ook prima het ‘we’ van Vegter invullen – het gaat niet zozeer om het woord ‘ik’, maar om het denken dat degene die dat in het gedicht zou kunnen zeggen, die dus in het gedicht aan het woord is, de aanwijsbare, lichamelijke dichter is.

Uitgesloten van een ik – het naïef universele

Dat is denk ik ook het probleem in de analyses van Ham en Van der Starre. Van der Starre heeft het wat dat betreft moeilijk, ze moet gelijktijdig over 11 mensen schrijven, waarbij de ene misschien naïever te werk gaat dan de ander – een kanttekening dus van mijn kant: misschien gaat haar analyse voor een deel van de dichters wel op. In de poëtica van Maartje Smits lezen we bijvoorbeeld (mijn nadruk): ‘Ik geloof dat alleen het echt persoonlijke in de buurt komt van het universele. In oprechtheid kun je als lezer altijd iets van jezelf herkennen.’

Daar zien we iets meer van het probleem, zoals het zich in feite ook bij Vegter voordoet: elk engagement dat op herkenbaarheid gestuwd is sluit iedereen die zich niet herkennen kan uit, of iedereen die wij niet herkennen kunnen. Dat ook het ‘echt persoonlijke’ niet universeel is, en dat nooit wordt – niet in de zin waarin we dat universele de afgelopen eeuwen hebben begrepen – is wat we zullen moeten leren.

Hoop op poëzie die universeel is, betekent al te vaak nog poëzie die er naïef vanuit lijkt te gaan dat er een ‘ik’ kan bestaan die aan onze verschillen voorafgaat.

Ben Lerner schrijft scherp over hoe het universele uitsluit in The Hatred of Poetry, dat binnenkort in vertaling verschijnt. Hij geeft ons een lezing van Claudia Rankine’s Citizen, een passage waarin, in tweede persoon, beschreven wordt hoe je over het tuinpad loopt naar de voordeur van je nieuwe therapeut (gespecialiseerd in trauma counseling), en je aanbelt; het duurt even, dan doet er een vrouw open die je weg probeert te jagen, vraagt wat je in haar tuin doet – je zet een paar stappen achteruit, maar vertelt dat je een afspraak hebt. Een afspraak? she spits back.

Then she pauses. Everything pauses. Oh, she says, followed by, oh, yes, that’s right. I am sorry.

I am so, so sorry.

Rankine weerlegt met haar werk, schrijft Lerner, de nostalgist fantasies of universality van critici die vinden dat dichters te veel over zichzelf en voor een incrowd schrijven. Lerner schrijft dat Rankine de tekst in werking stelt om te laten zien hoe ook uit die zogenaamd universele voornaamwoorden – waar veel naïef engagement op steunen moet – mensen kunnen worden uitgesloten. In dit geval beseft Lerner precies dat de herkenbaarheid wegvalt; hoe verder hij leest, hoe minder hij in de ‘jij’ past. ‘My privilege excludes me—that is, protects me—from the “you” in a way that focusses my attention on the much graver (and mundane) exclusion of a person of color from the “you” that the scene recounts (how could you have an appointment).’

Ook een ‘jij’ is niet neutraal, zoals een ‘ik’ dat niet is, en hoop op poëzie die universeel is, betekent al te vaak nog poëzie die er naïef vanuit lijkt te gaan dat er een ‘ik’ kan bestaan die aan onze verschillen voorafgaat – een geslachtsloze, kleurloze, geaardheidsloze ik.

Dat dat niet zo is, zie je al aan het feit dat ‘kleurloos’ daar meteen al weer verward zou worden met ‘blank’. En je merkt het, in hoe die opsomming (geslacht, kleur, ras) arbitrair voelt. Bepalen die drie dingen ons dan zo volledig? Nee – dat is precies het probleem. Een universele ‘ik’ zou ontdaan zijn van alles wat het tot een ‘ik’ zou maken.

Een nieuwe poging tot ‘universaliteit’ (of wat daar ook maar van over zal blijven) moet dit soort problemen niet uit de weg gaan, moet zich daarmee juist confronteren. Rankine en Beth Loffreda schrijven het in een recent essay als volgt:

‘What we want to avoid at all costs is something that feels nearly impossible to evade in daily speech: an opposition between writing that accounts for race (and here we could also speak of gender, sexuality, other enmeshments of the body in history) and writing that is “universal.”  If we continue to think of the “universal’ as better-than, as the pinnacle, we will always discount writing that doesn’t look universal because it accounts for race or some other demeaned category. The universal is a fantasy. But we are captive, still, to a sensibility that champions the universal while simultaneously defining the universal, still, as white.’

We moeten ons bewust zijn van het feit dat alles wat we ooit universeel wilden noemen, ook categorisch was.

Dat is waar Lieke Marsman ook over schrijft aan het einde van haar essay in de Gids over wat ze eerst ‘lesbisch zijn’ noemt, dan ‘homoseksualiteit’, omdat het neutraler en veiliger voelt:

‘[Z]oals mij gevraagd wordt ‘hoe is dat nou, als vrouw seks te hebben met een vrouw?’, zou ik graag eens iets lezen over hoe het is om als vrouw seks te hebben met een man (of vice versa). Niet als seksuele daad, van dat soort literatuur is er zat, maar als expliciet heteroseksuele daad. Als homoseksueel zijn van groot belang is voor iemands identiteit, is heteroseksueel zijn dat ook, alleen zien we het niet, omdat het heteroseksuele deel van iemands identiteit perfect overloopt in de achtergrond van de op heteroseksualiteit ingestelde maatschappij waartegen het zich afspeelt.’

De eerste les die het bewustzijn van racisme, seksisme of homofobie (etc.) ons moet leren is niet zozeer het niet-doen van losse instanties van bepaald gedrag. Het is dat we ons bewust moeten zijn van het feit dat alles wat we ooit universeel wilden noemen, ook categorisch was. Dat het een probleem is, dat we schrijven dat een roman over seksualiteit gaat als het heteroseksueel is, en over homoseksualiteit (of welke ‘andere’ seksualiteit dan ook) in de andere gevallen. Dat een roman over ambitie gaat als een blanke in de hoofdrol figureert, en over class struggle wanneer dat niet zo is. Dat romans over vaderschap zich afvragen hoe een man zijn leven met een kind kan combineren, en romans over moederschap in welke mate een moeder haar kind kan of mag combineren met een ‘eigen’ leven. Het is geen bewustzijn van een klein groepje ‘foute’ handelingen – hoewel ook zulk bewustzijn nuttig kan zijn – maar een fundamenteel wantrouwen van alles wat zich durft te presenteren als neutraal.

Dat is ook waarom, hoe irritant ‘we’ of ‘ze’ het ook mogen vinden, er zo gehamerd wordt op die geïdealiseerde blanke, heteroseksuele (hoogopgeleide) man. Er zijn inmiddels al een heel aantal stukken geschreven over dat die als zodanig ‘niet bestaat’, en natuurlijk bestaat die niet, maar wat het zegt is: ook jij bent een categorie, universele jij, ook jij bent dat en ook jij voelt onmiddellijk hoe slecht je in die termen past. Leer die nieuwe omgeving even kennen.

Welk ‘ik’ blijft over?

Ondanks dat Van der Graaff in zijn poëtica schrijft dat het leven niet persoonlijk is, en dat Van der Starre dit citeert, en Ham het dus in elk geval gelezen zou moeten hebben als hij Van der Starre aanhaalt, trekt Ham (en in mindere mate Van der Starre) hem samen met het lyrisch ik. ‘In het spreken komt het ‘ik’ in de wereld’, schrijft Van der Graaff. ‘Het proces van het schrijven, waarin zo’n ‘ik’ tot stand komt, is nauw verbonden met macht en machtsuitoefening.’ En hij stelt vragen. ‘Op welke manier spreekt de taal ons?’ ‘Welke werkelijkheid en taal kunnen wij nog delen als lezers en levenden?’

Desalniettemin schrijft Van der Starre onder andere het volgende: ‘Het ik dat de dichters opvoeren is echter, waarschuwen ze, een performatief ik; een masker, een constructie, een zelf dat ontstaat door en in de poëzie. Het is niet stabiel, het is geen geheel en het gaat niet vooraf aan het gedicht. Maar het lijkt wel veel op andere versies van het ik’.

Het performatieve ik wordt niet opgevoerd, alsof er een andere versie van een ik aan voorafgaat. Die denkstap problematiseert het ‘ik’ slechts binnen de perken van het gedicht. Er is natuurlijk een ‘ik’ die aan het gedicht voorafgaat, zo is de gedachte, maar het ‘ik’ in de gedichten is een ander (‘een masker, een constructie’).

Elk ‘ik’ komt echter voort uit het spreken, en het feit dat die ‘ik’ mensen uitsluit, dat is het probleem. Dat is waarom Hams vraag, of de dichters ‘hun netten weer naar een bredere gemeenschap zullen gaan uitwerpen’ een fundamenteel misplaatste vraag is.

Het materiaal van de dichter

Ik kom terug bij Lucebert en Campert, en nu ook bij Bert Schierbeek. Luceberts gedicht is aan die laatste opgedragen, en verwijst met zijn titel naar een stuk van Schierbeek dat tevens ‘Het materiaal van de dichter’ heet, en in 1956 in Podium verscheen (jaargang 11, nummer 4). Zoals we uit Camperts gebruik van de dood al kunnen begrijpen, moet elke dichter er rekenschap van afleggen dat de taal aan hem of haar voorafgaat, en tegelijkertijd aan hem of haar voorbij zal gaan. Met Van der Graaff kan de dichter aandachtig zijn voor het feit dat de taal hem of haar op een bepaalde manier spreekt, dat ze niet neutraal is en bepaalde mensen kan weren. Telkens wanneer je een ‘ik’ schrijft, laat je het achter, en in hoe je het achterlaat, zit verantwoordelijkheid.

Schierbeek noemt ‘het ik’ een ‘grammaticale fictie’, stelt dat het ‘uiteenvalt’.

Schierbeek schrijft dat elke dichter ‘het einde en het begin der dingen aan elkaar [wil] knopen en wat daartussen ligt overspannen met zijn beeld, het beeld van het eindeloze, niet te verzadigen verlangen, van de zwervende mens op aarde, van hol- en woningbouwbewoners’. Daarin echoot Luceberts middelste strofe (‘o bloedende os van mijn verbeelding / opgehangen tussen twee marmeren wolken / je bloed druipt op alle dingen die ik aanraak’) – de dichter verwerkt zijn materiaal, ‘de realiteit’, op een manier die de realiteit tot materiaal maakt, en haar in verwerkte staat (‘zie zo wordt de wereld van lieverlede / geslacht gereinigd en gegeten’) aan de lezer voorlegt.

‘De tragiese situatie van de mens: hij zou onverwoestbaar willen zijn en weet dat hij het niet is’, schrijft Schierbeek. ‘Dit is het materiaal van de kunstenaar.’ Omdat wij niet onverwoestbaar zijn, is elk ‘ik’ gedoemd ons te overleven, zodat wij moeten schrijven met het besef dat wij het ook niet zullen zijn. Schierbeek noemt ‘het ik’ een ‘grammaticale fictie’, stelt dat het ‘uiteenvalt’.

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet? Het is niet, zoals wel eens slim en struisvogelpolities [sic] beweerd wordt, dat het “ik”, die eerste persoon, uitelkaar geslagen wordt. Ook wordt de grammatica niet uit zijn “verband” gerukt. Welk verband als ik vragen mag? Maar het was dat “ik” dat een fictie bleek, al eeuwen, een werkhypothese, een ezelsbrug voor de realiteitsbenadering, die altijd als laatste redmiddel de egelstand aannam[.] […] Niet “ik” heb dit verband zoek gemaakt. De fictie is gewoon niet houdbaar. […] Dit is ook niet een “tijdsverschijnsel”. Want ook in de middeleeuwen, in China, in India, bij alle “primitieve” volken wisten ze weg met de desintegratie van het ik.’

Schierbeek ageert tegen de romans met hun hoofdpersonen en complotten (en Lucebert hervormt dat dichterlijk tot ‘als godsbewijs ontpopt elk plot zich als komplot’, elke geschiedenis tot heilsgeschiedenis, waarin natuurlijk wij de hoofdrol spelen). ‘Dus geen hoofdpersonen en geen romans meer’, schrijft Schierbeek. ‘Wel een ritmies [sic] verslag en uitbeelding van de mens, van zijn leven op aarde.’

De taak van de dichter

Horen we daarin niet ook het project van Jeroen Mettes? ‘Compositie is geen vormgeving, maar de productie van een autonoom blok affecten (d.i. een GEDICHT), ritmisch onttrokken aan de taal van een gemeenschap. Een gedicht doet iets. Is iets.’ Dat schrijft hij in zijn poëtica bij N30. Een gedicht kan, in het verlengde daarvan, ons misschien wel iets leren over wie ‘wij’ zijn, en daardoor ook: wie niet.  ‘Probleem: de mogelijkheid van een gemeenschappelijk spreken (poëzie) bij gebrek aan ‘wij’. Of: wat is een ‘wij’ dat geen collectief subject is?’

Dat is de problematiek waar hedendaagse dichters die ook maar wensen iets van engagement aan te gaan, zich toe zullen moeten verhouden. Wat sommige van die dichters dan ook doen. De eisen zijn sinds 1950 misschien iets veranderd; ten tijde van Schierbeek was het zaak aan te tonen, door het poëtisch plaats te laten vinden, dat het ‘ik’ altijd al een constructie geweest is en zal zijn. Er is een veelheid aan werk van Lucebert dat je als voorbeeld aan kunt halen.

Bijvoorbeeld uit ‘ik tracht op poëtische wijze’:

in deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen

(…)

ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht

Of uit ‘wij zijn gezichten’:

dood is ik word
ik word recht weer
ik word geroofd en ben weer
echt licht

Of de uitspraak in ‘ik draai een kleine revolutie af’:

ik ben niet langer van land
ik ben weer water

Het werk van de lezer: dit niet te lezen als overdrachtelijk, (wat Lucebert doorgaans haast ook onmogelijk maakt), het niet te zien als iets anders ver-beeldend. Ik ben weer water. Zo’n zin betekent iets. En dat ik weer echt licht wordt, dat dat is wat dood is. Dat betekent. En het beseffen van zulk betekenen laat ons kennismaken met het vreemde ding dat ‘ik’ ‘is’. Het ding dat wij niet zonder meer hoeven kunnen zijn.

Als iemand deze dichters wil verwijten voor hun kliek te schrijven, dan heeft diegene ook de plicht aan te dragen hoe je dan voor een grotere groep zou moeten schrijven.

Misschien is ook die taak van poëzie nog niet voltooid, maar tegenwoordig zijn vragen als die van Mettes en Van der Graaff erbij gekomen: hoe politiek te spreken, in tijden van maatschappelijke ‘crisis’ (wat meteen al weer te populistisch jargon is), terwijl we rekening houden met die gevaren van het ‘ik’? Hoe te spreken over sociale, collectieve problemen zonder te blijven steunen op het naïeve idee van een voor iedereen toegankelijk ‘wij’? ‘Wie’, schrijft Van der Graaff, ‘zoals ik in Dood werk heb gedaan, het ‘ik’ gebruikt om het gedicht te structureren, moet zich rekenschap afleggen [van de machtsstructuren waarmee dat ‘ik’ tot stand komt]’. Hoe moeten we dan praten? Het stellen en doorploegen van die vraag is het werk dat bundels als N30 en Dood werk doen, en moeten doen.

En dat is waarom het veel te gemakkelijk is namedroppen op te vatten als schrijven voor een ‘te kleine’ groep. ‘Frank’ en ‘Maarten’ en ‘Remco’ of ‘remco’ betekenen iets, ongeacht toevallige dragers in toevallige tijdperken, die nooit zonder meer toevallig zijn, want in een tijdperk (maar welke, en hoe) gevormd, en ook niet toevallig, want inderdaad, ze behoorden tot mensen rondom degene die het gedicht produceerde, waren degenen die hij als materiaal had. Als het lezen van die namen ons het gevoel geeft van een incrowd moeten we eerst in de spiegel kijken: hoe groot is onze kring? Zouden wij gedichten kunnen schrijven met betere namen? Bredere namen? Hoe is het gesteld met de verscheidenheid van onze eigen omgeving? Laten wij ons in met mensen die geconfronteerd worden met de problemen van tegenwoordig? Kunnen we daarover meepraten? Als iemand deze dichters wil verwijten voor hun kliek te schrijven (wat blijkbaar het gevolg is van het gebruiken van voornamen als materiaal), dan heeft diegene ook de plicht aan te dragen hoe je dan voor een grotere groep zou moeten schrijven, zonder terug te vallen in de naïeve opvattingen die zowel extreemrechts populisme als Vegters vaderlandspoëzie voortbrengen. Want ‘voor’ of ‘over’ de ander schrijven, wist vooral die ander uit, en het ‘uitwerpen’ van ‘netten’ naar ‘een bredere gemeenschap’ verhult vooral hoe niet iedereen tot die gemeenschap toegang heeft.

::

¹: Deze alinea is naar aanleiding van een scherpe kanttekening van Alexis de Roode – waarvoor dank – na publicatie herschreven, om beter aan te geven dat het probleem niet ligt in een gebrek aan empathie, maar in het verschil tussen in- en meeleven voor de mogelijkheid tot engagement.

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

5 gedachten over “‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement”

  1. Kamiel Choi zegt:

    Uitstekend stuk met een brede horizon, dank. Ik had wat moeite het lange betoog te volgen en werd wat afgeleid door de paragraaf over namedropping, maar dat komt vermoedelijk door het feit dat ik niet meer zo thuis ben in de Nederlandstalige poëzie (ik ben 14 jaar geleden naar Berlijn geëmigreerd)
    Geëngageerde poëzie hoeft denk ‘ik’ niet naïef te zijn. Ik was aanwezig bij de Nacht en hoorde Vegter haar populistische gedicht voordragen. Taal is tot veel meer in staat, denk ik. De poëzie van Charles Ducal (ook Nacht-dichter) is al iets meer ‘in zichzelf gereflecteerd’. Is het niet de opgave van de dichter, om uitgaande van het naïeve engagement de taal zichzelf te laten overrompelen? Als Vegter dit gedaan zou hebben zou ze misschien een kleiner publiek aanspreken (hoewel het de kunst is, zowel voor een dansende massa als intellectuelen interessant te schrijven). De pointe van haar gedicht bijvoorbeeld “gelukszoekers worden we genoemd” is problematisch vanwege die zeer zinvolle onderscheiding tussen inleven en meeleven. Maar daar had ze iets aan kunnen doen! Mogelijkheden te over om deze slappe passieve vorm te verscherpen.
    “Naast mij valt het woord gelukzoeker” of “de wereld is wijds / wij zijn niet wij / en zij aan zij beseffen we dat we schimmen zijn”. Of zoiets. Onze taal is macht in uitvoering zoals van der Graaff zegt. ‘wij’ hebben daar natuurlijk geen controle over, we worden gesproken. En met de ballast van een niet-naïeve poëtica in onze knapzak worden we gewoon doorgeschreven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *