Bespreking

De Hopper-belijdenissen II: ‘Girl de luxe’

3-1-automat

In de vorige aflevering van De Hopper-belijdenissen liet Anne Carson ons het onvervulde nu zien in haar lezing van Edward Hoppers Nighthawks. Een man en een vrouw zitten aan de bar van een Amerikaanse diner. Het is middernacht. Hij wil met haar wegvluchten, maar zij doet moeilijk – een impasse. Niet meer thuis en nog niet weg, op het punt hun leven te veranderen, gaat de tijd voorbij, zonder vlucht, zonder terugkeer. Hun verleden leidt nog nergens heen, hun toekomst bevat slechts de mogelijkheid van een nieuw leven. Ondertussen blijft elk volgende moment van hun heden onbenut, het gaat voorbij voordat er iets kan gebeuren. We kennen dit heden wel, we brengen het zelf vaak wachtend door. Op die manier legt Edward Hopper dit onvervulde nu vast in dat beroemde schilderij van een zo goed als leeg restaurant. Of dat is ten minste hoe Carson ons naar dat werk leert kijken.

Vandaaruit komen we aan bij ‘Automat’, het tweede gedicht uit Carsons gedichtencyclus Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000).

Girls girls girls

De vrouw heeft haar jas nog aan en haar hoed nog op. Ze heeft een handschoen uitgedaan, eentje, om in haar eentje te eten en te drinken. Ze is aan haar kop thee of koffie toe. Naast de schotel die bij die kop hoort, staat een ander, leeg bordje. Geschiedenisles: een automat was een kruising tussen een café en een automatiek. Een plek waar je na een night shift nog wat te eten uit de muur kon halen, zoals deze vrouw heeft gedaan. Ze is alleen, met ons. Carson schrijft:

Night work
___neon milk
___powdered
___silk
Girl de luxe

Girl work
___plate glass love
___lone
___glove
Night de luxe

Girl work
___smell of black
___down
___the back
Night de luxe

Night work
___clamo
___ad te
___Domine
Girl de luxe

We hebben de vorige keer gelezen welk motto Carson aan deze reeks gedichten meegeeft, Hoppers uitspraak over hoe hij geen vanzelfsprekende anekdotes hoopte te schilderen. Met Automat is dat gelukt, als we Carsons interpretatie mogen geloven; haar gedicht laat zich in eerste instantie vooral als een ritme lezen. De woorden roepen associaties op, genoeg zelfs, maar die vormen geen narratief – tenminste: voor mij niet. De herhalingen en het rijm duwen de thematiek in de richting van een dagelijks in- en uitklokken, oftewel: van sleur. De combinaties als ‘night work’ en ‘girl de luxe’ geven daar misschien een iets andere, x-rated, draai aan. Of misschien ook niet. Daar komen we nog op terug.

Onder dit gedicht staat, net als onder de vorige, weer een citaat van de kerkvader en filosoof Augustinus, uit Boek 11 van zijn belijdenissen: ‘Let us see then, thou human soul, whether present time can be long: / for to thee is it given to see and to measure length of time.’ Het grootste gedeelte van het 11e boek heeft de tijd als onderwerp. Augustinus vraagt zich rondom dit citaat af wat we bedoelen met een “lange” of een “korte” tijd, want ‘kun je iets wel lang of kort noemen, als het niet bestaat? Want het verleden is niet meer en de toekomst is nog niet.’ Het enige dat voor Augustinus bestaat is het nu. Dus als er iets lang kan duren, dan is dat het heden.

‘Automat’ gaat over de vermoeidheid van deze vrouw of over de sleur waar zij een onderdeel van is.

Maar, over die seksuele draai: het lichtste deel van het schilderij Automat zijn de benen van de vrouw, die als het ware oplichten van onder de tafel. Is dat ‘neon milk’? Ik durf niet te zeggen tot in hoeverre Carson een punt maakt van de seksualiteit van deze vrouw. Wellicht is het hem juist dat die vrouwelijkheid “moeilijk” moet blijven (zoals in het eerste gedicht), in die zin dat we die niet weg moeten kunnen denken, ondanks dat we haar ook niet meteen kunnen plaatsen binnen de rest van de thematiek. In die lijn is het interessant om op te merken dat de luxe van het Latijn luxus komt, hetgeen ‘exces’ betekent. ‘Girl de luxe’ betekent dus ook: teveel vrouw, meisje te over.

Dat die overwegingen veel met mij te maken hebben, dat ik, net als Hopper denk ik, vrouwenbenen sexy vind, bevestigt die overwegingen op een bepaalde manier. (De toeschouwer, ik dus, wordt in dit geval wel ook in een milde voyeurspositie geplaatst, wat de situatie niet eenvoudiger maakt.) Het punt is: dit is geen universeel, neutraal gedicht. Niet voor wie het leest noch voor wie het schrijft. Het minimum aan conclusie dat we op dit punt moeten trekken, is dat Carson deze details benadrukt omdat ze er zijn. Het gedicht gaat dus ook niet in een puur abstracte zin over tijd, sleur of vermoeidheid. (Je zou zo ver kunnen gaan te zeggen dat het zo’n abstractie afwijst.) ‘Automat’ gaat over de vermoeidheid van deze vrouw of over de sleur waar zij een onderdeel van is. De vraag: of er tijd is die lang duurt voor haar.

Misschien is het niet meteen evident dat het over sleur gaat, of om het ongemak bekeken te worden las je gewoon wat wilt eten. Je zou enigszins recalcitrant tegen kunnen werpen dat er gewoon een vrouw is geschilderd, die zich heeft afgezonderd, die comfortabel alleen is. Carson leest echter wel een soort ongemak, verdriet of – met een zwaar woord – wanhoop in het schilderij. In de laatste strofe lijkt ze namelijk iets uit psalm 130 te citeren: ‘clamo ad te domine’ – ‘ik roep tot U, Heer’. Het hele vers luidt (in de NBV-vertaling): ‘Uit de diepte roep ik tot U, Heer.’ Dat is geen comfort. Als we het binnen dat stille plaatje van Hopper mogen plaatsen – en dat mag, denk ik, Carson kan met dat cursief zowel de bijbel als het meisje citeren – dan ziet het eruit als een interne, onzichtbare schreeuw. Vanuit de sleur roept ze naar de eeuwigheid.

Laten we daar nog even op ingaan

De sleur die met die roep naar de eeuwigheid doorbroken wordt, wat is dat voor een tijd? Het lijkt op het onvervulde nu, waarover we lazen in Carson’s intepretatie van Nighthawsk. Een nu dat steeds onbenut, onbewogen voorbij gaat. Deze sleur lijkt een voortdurende herhaling van zo’n heden, dat vermoeiend lang duurt. Ten minste, voor deze vrouw duurt het en duurt het maar, tot op het punt dat ze het uitschreeuwt.

Als we dan lezen dat Augustinus een aantal vraagtekens plaatst bij het idee van een “lange” tijd, moeten we die bezien vanuit de situatie van deze vrouw. Welke tijd zou er immers lang moeten duren? Verleden en toekomst zijn er niet meer of nog niet, die kunnen dus ook niet meer of nog niet duren. En de tegenwoordige tijd dan? De vrouw op het schilderij is, wat, vijfendertig? Ze is er dus al zo lang en ze is er steeds nu. Maar, zou Augustinus zeggen, elk jaar gaat voorbij voor het volgende, en elke maand voor de volgende er is, elke dag is voorbij voor er een nieuwe volgt:

De tegenwoordige tijd die we lang zouden kunnen noemen is nu al teruggebracht tot amper één dag. Maar laten we daar nog even op ingaan, want ook een dag is niet in zijn geheel tegenwoordig. Nacht en dag samen duren vierentwintig uur. Ook hier heeft het eerste uur weer alle andere vóór zich, het laatste alle andere achter zich …

Met andere woorden: de tijd, die als momenten verstrijkt, duurt niet. De sleur, die zich zo uit lijkt te strekken als een soort lang, ongedifferentieerd heden, gaat dus in feite elk moment voorbij en heeft niets met het heden te maken – in ieder geval niet volgens Augustinus’ opvattingen. De ervaring van sleur is dus niet een ervaring van tijd op zich, van pure tijd. En nu denk je misschien no shit, Sherlock. Maar laten we er niet aan voorbij gaan dat sleur of verveling extreem realistisch aanvoelt. Het zijn, net als opwinding bijvoorbeeld, of verwachting, manieren waarop we ons tot de tijd verhouden. Niet zozeer onwaar als wel gekleurd, partieel, particulier.

Het eerste wat er gebeurt

De uitroep onderbreekt het gedicht op misschien wel elke voorstelbare manier: het Latijn onderbreekt het Engels, het ritme wordt doorbroken en de roep rijmt niet. De roep als een syncope, off-beat. In een gedicht dat tot op dat punt zoveel tastbaars en zichtbaars bevat, kleuren, texturen, geuren, daarin wordt plots God aangeroepen. Dat ritme van drie strofes beschrijving wordt onderbroken door een daad: er wordt geroepen. Er staat, letterlijk, niets anders dan dat er iemand naar God aanroept. Het is wat taalfilosofen een taalhandeling noemen, een uitspraak of in dit geval een uitroep waarmee iets wordt gedaan in plaats van bijvoorbeeld uitgelegd. De roep is grammaticaal het eerste wat er gebeurt in het gedicht, clamo is het eerste werkwoord, in de tegenwoordige tijd.

De roep van Hoppers vrouw is een gebeurtenis, een uniek moment, het unieke moment waarop ze door haar sleur heen breekt.

Die werkwoordstijd is natuurlijk belangrijk, maar laten we niet al te snel voorbij gaan aan de taal waarin het is geschreven. Ergens ligt het voor de hand om juist in dit gedicht een psalm in het Latijn te citeren, het was de voertaal van de kerk, zeker in de tijd van Augustinus, die zijn belijdenissen in dezelfde taal schreef. De kerkvader was zelfs getuige van de verschijning van wat wij nu de Vulgaat noemen, de Latijnse vertaling van de Hebreeuwse en Griekse bronteksten van de bijbel. Carson citeert echter niet die vertaling. Daar luidt het eerste vers van Psalm 130 namelijk: De profundis clamavi ad te Domine. Oftewel: ‘Vanuit de diepte heb ik tot U geroepen, Heer.’ In deze vertaling is de roep dus een voltooide handeling – voorbij.

Augustinus moest weinig hebben van de Vulgaat. Hij prefereerde de Septuagint, de Oud Griekse vertaling van het Oude Testament. Als hij echter zelf in zijn belijdenissen, die wel in het Latijn zijn geschreven, verwijst naar psalm 130, doet hij dat als volgt: Attende animam meam et audi clamantem de profundoa. In vertaling: ‘Kijk naar mijn ziel en hoor haar roepen vanuit de diepte.’ Haar roepen, haar geroep – het gaat hier om een soort voortdurend of herhaaldelijk gehuil. Carson kiest tegen zowel de Vulgaat als Augustinus in. De roep die zij de vrouw toeschrijft is niet voltooid, volledig. Ze schrijft niet after the fact, niet over de roep. Noch behandelt ze de roep als een soort openstaande lijn. De vrouw staat niet in het diepst van haar huilende ziel altijd al open voor God. De roep van Hoppers vrouw is een gebeurtenis, een uniek moment, het unieke moment waarop ze door haar sleur heen breekt.

Hoppers vrouw roept niet ooit eens en niet altijd al naar God, ze roept nu.

Nu om eeuwigheid roepen

Misschien zijn ‘breuk’, ‘onderbreking’ en ‘opening’ niet de juiste woorden voor wat er in het gedicht gebeurt als dat ‘clamo / ad te / Domine’ klinkt. Of het zijn misschien prima woorden om dat moment te beschrijven, maar wel met een soort disclaimer. We moeten ons denk ik bewust zijn van een misschien misleidende connotatie die ze hebben, namelijk die van leegte. Ze beschrijven het clamo een beetje als een knappende luchtbel – knap – en de vloeistof sluit zich weer. Maar als, in dit geval, sleur juist onvervuld voorbijgaande tijd is, maakt dat de roep juist tot een moment van vervulling. Tot een gevuld, vol nu. Een moment dat niet opgaat aan de herhaling op herhaling, maar dat zich onderscheidt. De roep markeert een nu dat niet onopgemerkt voorbijging, het is een moment dat in vervulling gaat als een gebeurtenis.

Wordt de roep gehoord? Want daarom roept de dichter van psalm 130 in ieder geval, om gehoord te worden: ‘Uit de diepte roep ik tot u, Here, / Heer, hoor naar mijn stem.’ Als een gebed om verhoring vraagt, een antwoord op een vraag, een gift, een verandering, dan is dit geen of het allerkleinste gebed. Een gebed dat verhoord wordt als het gehoord wordt. En Augustinus zou zeggen: ja, de roep wordt gehoord. Hij verbindt, in zijn commentaar op de psalmen, de eerste regels van 130 aan het gebed dat Jona bidt vanuit de walvis in ‘de diepte […] het hart van de zee’ (Jona 2:3). Zelfs daar, meent Augustinus, hoort God Jona’s gehuil, want Gods oren bevinden zich in het hart van hij die roept.

Zo’n formulering doet niet helemaal recht aan de manier waarop Augustinus over God denkt en over “waar” God is. Wellicht bieden volgende gedichten in Carsons cyclus een mogelijkheid om daar verder op in te gaan. Het kale feit is hier dat Carson niet meer dan de roep schrijft: Ik roep tot u, Here. Die aanroep vervult een moment zodat het als een moment ervaren kan worden, terwijl het voorbij gaat. Wat ik het kleinste gebed noemde, de roep om gehoord te worden, blijkt voor Carson misschien nog te groot. Het kleinste gebed is wellicht de roep om te roepen.

Dat kleinste gebed, als we het nog een gebed mogen noemen, bidt Hoppers vrouw nu, en zo verhoudt ze zich, een moment lang, heel anders ten opzichte van de tijd die ze leeft.

Ik durf nog niet goed te zeggen of zo’n gebed nog iets met God of de eeuwigheid te maken heeft, volgens Carson of volgens mij. Dat is niet erg. We hebben nog zeven schilderijen en acht gedichten te gaan.

men-in-the-off-hours

Anne Carson
Men in the Off Hours
(New York: Vintage, 2000)

De Wikipediapagina van Anne Carson
De pagina van Vintage

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Een gedachte over “De Hopper-belijdenissen II: ‘Girl de luxe’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *