Bespreking

De Hopper-belijdenissen III: ‘I think of myself as being particularly baffled’

Edward Hopper - Room in Brooklyn (1932)
Edward Hopper - Room in Brooklyn (1932)

Deze derde aflevering van mijn lezing van Anne Carsons Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000) begint als een soort intermezzo. Ik wil een stap terug zetten. Er komt nogal wat ter sprake in de close reading van Carsons gedichten, allerlei overwegingen die ik nu eens eerst in een breder kader wil plaatsen. Op die manier kunnen we misschien beter begrijpen waar Anne Carson precies staat in deze soms best wel overweldigende stroom aan ideeën. Zo krijgen we misschien ook een beter beeld van wat er precies op het spel staan in het lezen van deze gedichten, in het nadenken over tijd.

Een beetje weerstand

‘Wat is tijd?’ In onze ontmoeting met de ontmoeting die Carson ensceneert tussen Augustinus en Hopper, lijkt die vraag centraal te staan. Maar we hebben tot nu toe vooral stil kunnen staan bij de antwoorden die Augustinus op die vraag formuleert. We hebben wat van zijn voorlopige argumenten en ideeën kunnen bestuderen en ermee gedacht. De twee fragmenten die we hebben gelezen uit het netwerk dat Carson opbouwt uit haar lezingen van Edward Hoppers oeuvre, communiceren steeds op subtiele manieren met die gedachten van Augustinus. Zo leerden we ‘verwachting’ denken als een onvervuld nu, een heden dat voorbijgaat zonder een verleden met een toekomst te verbinden. Sleur bleek op eenzelfde manier onvervuld te blijven, omdat elk heden alleen tot zijn eigen herhaling leidt. Maar zowel verwachting als sleur zijn, tenminste voor Augustinus, onzuivere ervaringen van tijd.

Want voor Augustinus is er geen heden dat duurt. Het is voorbij voor je er erg in hebt, het nu. Zowel verwachting als sleur strekken zich echter op een bepaalde manier uit, als grote vlaktes aan leeg, onvervuld heden. Verwachting rekt zich als een tunnel naar een mogelijke gebeurtenis, iets dat alles eindelijk verandert. Sleur is een woestijn aan ongedifferentieerde dagen, die groeit zonder dat je aan zou kunnen wijzen waar er zand bij is gekomen. Not, roept Augustinus. Elk moment duurt even kort, ook al voelt het misschien niet zo. Maar Carson lijkt met elk gedicht iets duidelijker een soort tegendeel te beweren. Of tegendeel – ze lijkt met elk gedicht een beetje weerstand te bieden tegen dat idee.

Not, roept Augustinus.

Of bekijk het op deze manier. Staat de vraag naar wat tijd is centraal in Carsons gedichten? Dus niet in de schilderijen van Hopper of de belijdenissen van Augustinus maar in het werk dat Carson met hen schrijft? We zouden – zoals ik soms lijk te doen of heb gedaan – kunnen stellen dat dit niet het geval is: nee, Carson heeft het niet over tijd als zodanig maar over hoe we ons tot tijd verhouden. In dat geval geven we Augustinus impliciet gelijk voor zover hij beweert dat er iets bestaat als bijvoorbeeld het pure, onversneden nu. Zeggen we dat Carson wel over tijd schrijft, dan wordt haar verhouding tot Augustinus daar wel iets complexer van.

Hoe zijn we nu toch weer bij God uitgekomen?

Om Carsons houding tegenover God, religie en daarmee toch ook tegenover Augustinus van een beetje context te voorzien, zou ik eerst het volgende citeren uit haar grote The Art of Poetry-interview in de Paris Review:

Reading a lot of mystics, especially Simone Weil, I’ve come to understand that the best one can hope for as a human is to have a relationship with that emptiness where God would be if God were available, but God isn’t.

In één keer is duidelijk dat Carson geen augustijn is; een relatie tot de leegte waar God zou zijn als God beschikbaar was, dat is zo’n beetje het tegenovergestelde van een God die, volgens Augustinus’ beroemde uitspraak, dichter bij mij is dan ik bij mijzelf ben. (Van die gedachte ben ik eigenlijk helemaal niet zo zeker van, maar Carson en de kerkvader zijn in ieder geval niet van dezelfde orde, om het zo maar te zeggen.) Echter, iets eerder in het interview vraagt Will Aitken haar of ze zichzelf vroom zou noemen. Carsons antwoord op die vraag geeft ons veel meer om mee te werken als we haar ten opzichte van Augustinus (en ook Hopper trouwens) willen positioneren:

I think of myself as being particularly baffled—on the one hand, by the whole question of God and the relation of humans to God, but on the other hand, possibly because of lots of empty spaces in my life, I am open to exploring what that might mean.

Verbijsterd. Maar ook: geïnteresseerd in het verkennen van de vraag naar en relatie met God. Het is een manier om Carson’s oeuvre samen te vatten, eigenlijk: verkenning.

Een gedicht lijkt voor Carson niet zozeer een manier te zijn om simpelweg iets te vertellen, maar eerder een ruimte waarbinnen ze het een of ander kan onderzoeken. In die zin lijkt ze veel op Nachoem M. Wijnberg als die stelt dat literatuur een goede manier is om te begrijpen hoe mensen met elkaar zijn of hoe iemand zichzelf ziet.’ (Lees daar meer over.) Carsons The Albertine Workout (2014) is bijvoorbeeld een onderzoek naar verlangen in Prousts La recherche de temps perdu, in de vorm van 52 ultrakorte paragraafjes en 16 appendices. Op deze manier bezien schrijft Carson eigenlijk altijd essayistisch – een gedicht niet een traktaat waarin ze definitief haar visie geeft maar altijd een poging, een benadering, een proef. Dat is niet anders voor Hopper: Confessions. Carson is aan het kijken wat ze aantreft bij Hopper en Augustinus.

Het is een onderzoek – maar wel in de eerste plaats een onderzoek naar tijd, toch? Niet van God of geloven? Ik kom steeds terug bij zulke thema’s, en dan vooral bij Augustinus. Misschien omdat ze mijn interesse hebben, maar ik denk ook dat het iets met de positie van Carson te maken heeft.

In het verlengde van een gebed zonder verhoring

Natuurlijk is er sprake van enige religieuze bagage als je Augustinus in contact brengt met wie-dan-ook. Maar laten we dat niet onderschatten; heel de Confessiones is geschreven aan God, elke zonde, levenservaring maar ook elk filosofisch idee wordt ten overstaande van God doordacht. Elke vraag die Augustinus stelt, stelt hij in principe allereerst aan God. God is het uiteindelijke referentiepunt van heel Augustinus’ werk, en dit maakt dat zijn ideeën over tijd maar ook die over het gebed altijd tegelijk gedachten over God zijn. Hetgeen betekent wat Augustinus over tijd denkt ook altijd, indirect, gerelateerd is aan zijn ideeën over het gebed.

En wat wij willen, is stukje bij beetje ontwaren hoe Carson die filosofie ontmantelt, omwerkt of eigen maakt.

In het verlengde van Carsons gebed zonder verhoring, ligt misschien een idee van tijd zonder verenigende eeuwigheid.

In de vorige aflevering liepen we bijvoorbeeld tegen het gebed aan, rondom het eerste vers van psalm 130: ‘Uit de diepte roep ik tot u, Here, Heer, hoor naar mijn gebed.’ Augustinus, lazen we in zijn psalminterpretaties, legt uit dat God ons gebed altijd en overal hoort, omdat Gods oor in het hart is van wie roept. Zoals God overal is – Augustinus vergelijkt zichzelf ergens in zijn belijdenissen met een spons in een eindeloze zee – zo is God ook altijd, eeuwig. Wat wij als een successie van momenten ervaren, zijn als het ware stukjes van wat voor God een geheel is. Christopher Nolans film Interstellar (2014) bevat een versie van zo’n “gehele tijd”, waar Joseph Cooper (Matthew McConaughey) rond het einde van de film in belandt. Het is een schijnbaar eindeloze verzameling van alle momenten in de slaapkamer van zijn dochter, waar hij vrij tussen kan bewegen. Voor Augustinus’ God valt zelfs dat browsen tussen momenten nog weg.

Zo zien we dat Gods alomtegenwoordigheid en eeuwigheid in elkaars verlengde liggen. Hij is overal omdat elk moment er altijd al en nog is, voor hem. Hij hoort elk gebed altijd al. Maar, als Carson dan dat horen van het gebed weg streept – ze citeert immer alleen het ‘ik roep tot u, Here’ van de psalm – als Carson alleen het “roepen tot” behoudt, streept ze dan God ook weg?

Dat ze in het Paris Review-interview Simone Weil aanhaalt, is wat dat betreft veelzeggend. In Weils postuum verschenen verzameling aforisme en gedachten La Pesanteur et la grâce (1947) lezen we het volgende: ‘bid tot God, niet alleen in het geheim ten opzichte van mensen, maar denkend dat God niet bestaat.’ Een gebed is voor Weil en misschien ook voor Carson dus niet een roep om gehoord te worden, want er wordt geroepen tot iets of iemand die niet is. Een gebed als een roep om te roepen – in de vorige aflevering noemde ik dat het kleinst denkbare gebed.

In het verlengde van Carsons gebed zonder verhoring, ligt misschien een idee van tijd zonder verenigende eeuwigheid. Voor Augustinus is elk moment het kleinste, absolute puntje uit een totaliteit. Een totaliteit die wij niet als zodanig kunnen ervaren. Buiten zo’n uiteindelijke verzameling, krijgt het heden misschien een heel andere status. Carson concentratie op hedens die duren, verwachtingen of sleur, is daarmee een subtiel begin van een subversie van niet alleen Augustinus’ idee van tijd.

Deze trage dag

Deze overwegingen werpen een heel ander licht op het citaat van Augustinus dat Carson onder het gedicht ‘Room in Brooklyn’ plaatst. Eerst het gedicht:

This
slow
day
moves
Along the room
I
hear
its
axles
go
A gradual dazzle
upon
the
ceiling
Gives me that
racy
bluishyellow
feeling
As hours
blow
the
wide
way
Down my afternoon.

Dan het citaat:

Let us not say time past was long, for we shall not find it.
It is no more. But let us say
time present was long,
because when it was present it was long.

Op het schilderij in kwestie beeldt Hopper een vrouw af in een schommelstoel. Ze kijkt uit over de stad, het zonlicht valt van rechts door het raam, in haar schoot. De tijd deze vrouw daar doorbrengt, waait volgens Carson als een wind door de kamer en langs de namiddag. Nog preciezer: Carson maakt een individu hier opnieuw het snijpunt tussen ruimte en tijd. De uren waaien niet langs de middag, maar langs mijn middag: ‘hours / blow / the / wide / way / Down my afternoon.’ De speling van het licht op het plafond geeft een kleur aan de ervaring van die waaiende tijd, een markant, blauwig-geel gevoel.

Op dit snijpunt, als het ware, citeert Carson Augustinus terwijl hij nog onderweg is met zijn analyse. Het verleden kan niet lang duren, want het is er niet meer. Als er iets kan duren, is dat het heden terwijl het er is. Dus, stelt Augustinus, laat ons stellen dat de tegenwoordige tijd lang was, want terwijl die er was, was hij lang. Nu hebben wij inmiddels gelezen dat Augustinus uiteindelijk ook concludeert dat het heden niet duurt maar op elk moment alweer voorbij is. Die overwegingen laat Carson echter achter in de Confessiones om hier Augustinus zo te citeren dat hij de lengte van de middag van deze vrouw eerder lijkt te ondersteunen dan te ondermijnen.

Het enjambement dat Carson in het citaat aanbrengt, versterkt dat effect. Door de tweede regel te laten eindigen op ‘Let us say’ benadrukt ze het persoonlijke aspect van die woorden. Laat ons zeggen, laten wij het op de volgende manier bekijken, laten we dit aannemen, laat dit voor ons gelden. En wat “we” laten gelden is de ietwat circulaire definitie van het lange heden, dat lang is voor zolang het er is.

Het is een dag die, als een aanhoudende wind, maar lijkt te blijven duren.

Carson heeft met hoofdletters scheidingen aangebracht tussen verschillende delen van wat bijna één lange zin lijkt. Syntactisch kunnen we echter steeds doorlezen. Het onderscheid dat de hoofdletters maken, opent eerder een aantal mogelijkheden van lezen dan dat het die uitsluit. Het onderscheid is niet hard maar blijft ambigu. De dag en de uren waaien langs mijn middag, door mijn kamer. Het is een dag die, als een aanhoudende wind, maar lijkt te blijven duren. Misschien dat je het ene uur van het andere kunt onderscheiden, maar net als de hoofdletters, zou zo’n markering geen harde scheidslijn vormen – voor hoever zou je op die manier concreet, absoluut losse momenten markeren in mijn dag?

Herfst als een wind

7-1-office-at-night
Edward Hopper – Office at Night (1940)

In Carsons gedicht bij ‘Office at Night’ brengt ze tijd opnieuw ter sprake als een wind of als een bepaald licht:

Man woman windowcord paper fire stones.
Is
it
light
from
the
street streaming in unshaded
or
a
wind
of
autumn that pierces our bones?

Met weer een precies enjambement maakt Carson het mogelijk om in de laatste regel te lezen dat het de herfst, het jaargetij, is dat onze botten doorboort. Dat de tijd zelf die door deze vrouw en man heen waait, dat de tijd hen zelf doorschijnt als licht van buiten op straat – dat maakt die tijd een heel stuk minder concreet dan de kleinste deeltjes die Augustinus ervan maakt in het citaat dat Carson bij dit gedicht plaatst:

Yes that one hour passed away in flying particles.

Als tijd als een stroom licht is of als een aanhoudende wind, dan bestaat ze slechts als een stroom in haar voortduren. Met deze figuur kan Carson tegelijk vasthouden aan een heden dat wel degelijk voorbij gaat zoals er steeds nieuwe wind langs je heen blaast maar die tegelijk als een aanhoudend voorbijgaan lang kan duren. Het vliegen dat de deeltjes doen in die frase van Augustinus krijgt binnen het idee van een uur dat als de wind voorbij waait een heel andere status. Het ondermijnt zelfs het hele idee van een deeltje tijd.

Carson ontwikkelt zo stukje bij beetje een idee van tijd dat meer recht doet onze ervaring van tijd, of niet zozeer aan die ervaring alleen, maar aan hoe tijd voor mij, voor jou, altijd voor en door iemand verstrijkt. In verwachting laten wij tijd onvervuld, in een wanhoopsgebed vervullen we tijd en luierend blaast de tijd door onze dag. Ik sta niet los van de tijd die ik doorbreng, tijd brengt zich bij wijze van spreken via of als mij door.

Kunnen we op die manier niet heel anders na gaan denken over, bijvoorbeeld, wat het nou eigenlijk betekent om “in het moment” te leven? Volgens Carson lijkt er niet echt een onderscheidbaar moment te zijn buiten de momenten die wij tot leven brengen. Er verstrijkt geen moment waar wij als het ware “aan voorbij” leven – alsof het moment op de ene helft en wij op de andere helft van de weg rijden. We kunnen onszelf niet los denken van de verstrijkende tijd, wij doen de tijd – weliswaar onophoudelijk – verstrijken. Dat zijn het soort conclusies die, uiteindelijk, op het spel staan als we vragen wat tijd is.

men-in-the-off-hours

Anne Carson
Men in the Off Hours
(New York: Vintage, 2000)

De Wikipediapagina van Anne Carson
De pagina van Vintage

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Een gedachte over “De Hopper-belijdenissen III: ‘I think of myself as being particularly baffled’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *