Bespreking

‘Political problems are structurally identical with problems of representation’ – Over waar poëzie politiek wordt

Joseph Mallord William  Turner - The Hero of a Hundred Fights (1847)
Joseph Mallord William Turner - The Hero of a Hundred Fights (1847)

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay en een bespreking van Lerners poëzie, kijken we vandaag naar het werk van zijn intellectuele vader: de dichter-criticus Allen Grossman.

Ben Lerner maakt er geen geheim van dat hij zijn poëzie-theoretische mosterd haalt bij dichter-denker Allen Grossman. Al voor Lerner het essay publiceerde, liet hij diens naam veelvuldig vallen in interviews. Grossmans ideeën over de virtualiteit van poëzie – dat een gedicht een poging is voorbij het menselijke, tijdelijke en wezenlijke te gaan  zijn voor Lerner een belangrijk uitgangspunt, voor zowel zijn poëzie als romans. Vandaag gaan we daarom dieper in op Grossmans poëziekritiek. We lezen een van zijn laatste essays om de criticus in actie te zien. Daarbij dwalen we ook nog even af naar de poëtica van Rutger Kopland, die in het licht van Grossmans denken een interessant politieke bijklank krijgt.

Vreemde en mooie essays

Allen Grossman (1932-2014) had tijdens de laatste periode van zijn leven een aanstelling als emeritus professor in de humaniora aan de John Hopkins-universiteit in Baltimore, Maryland. Jaren daarvoor, in 1962, twee jaar nadat hij eindelijk zijn PhD had behaald, publiceerde hij zijn eerste poëziebundeling. En iets later, in 1969, zijn eerste boek over poëzie. Beide roepingen, die van academicus en dichter, zouden zijn leven lang naast elkaar blijven bestaan: in 2007 publiceerde hij voor de laatste keer poëzie, en in 2009 een laatste bundeling artikelen – die heette True-Love: Essays on Poetry and Valuing. Daaruit komt het essay dat ik vandaag wil bespreken, ter introductie tot Grossmans denken.

Grossmans poëzie wordt geassocieerd met de modern Romantische traditie van Yeats en Hart Crane, zonder dat de kritiek hem overigens nostalgie verweet. Die invloeden zijn geen grote verrassing voor wie zich verdiept in zijn academische werk, dat hoofdzakelijk gaat over een bepaalde lyrische traditie. Maar hij is geen historicus van de Romantische poëzie, veeleer neemt hij deze dichters als gewillig onderwerp om na te denken over de werking en het belang van poëzie en over wat literatuur te maken heeft met kennis, religie en politiek.

Hij laat zien wat de sociaal-politieke waarde is van die mislukking.

Een van die ‘weird and beautiful essays’, zoals Ben Lerner ze noemt in een interview met Tao Lin, het essay waar ik net al naar verwees, heet Figuring the Real en het gaat over de poëzie van William Wordsworth. Het bevat veel van Grossmans karakteriserende denktrends, in het bijzonder natuurlijk het onderscheid tussen het daadwerkelijke, concrete gedicht en het virtuele poëtische ideaal dat zo’n vers niet kan bewerkstelligen. Het is dat onderscheid dat Lerner als zijn uitgangspunt neem in The Hatred of Poetry (2016):

The poet and critic Allen Grossman tells a story (there are many versions of the story) that goes like this: you’re moved to write a poem because of some transcendent impulse to get beyond the human, the historical, the finite. But as soon as you move from that impulse to the actual poem, the song of the infinite is compromised by the finitude of its terms. So the poem is always a record of failure.

In Figuring the Real werkt Grossman een versie van dit verhaal uit waarin hij laat zien wat de sociaal-politieke waarde is van die mislukking.

Per impossibile

Het gedicht van Wordsworth dat Grossmans uitgangspunt vormt, is ‘The Solitary Reaper’ uit Poetry in Two Volumes (1807). Het is een beschrijving van een meisje dat met een zeis, al zingend, oogst. Het is vooral haar lied waardoor Wordsworth overrompeld wordt, een ervaring die hij niet zomaar lijkt te kunnen benoemen:

Will no one tell me what she sings?
Perhaps the plaintive numbers flow
For old, unhappy, far-off things,
And battles long ago:
Or is it some more humble lay,
Familiar matter of to-day?
Some natural sorrow, loss, or pain,
That has been, and may be again?

Het zou een lied over de strijd kunnen zijn, over de dingen van ver, een nederig wijsje of een klaaglied over het verlies dat iedereen zal lijden. Het klinkt dus, samengevat, als elk lied omdat het, schijnbaar, een onkenbaar lied is. Dit is volgens Grossman bij uitstek waar de poëtische interesse naar uitgaat: het onkenbare, onmogelijke, onverenigbare en onvertaalbare.

Het is een even tegen-intuïtieve als verleidelijke gedachte, dat de dichter zich bij uitstek interesseert voor wat de limiet van zijn materiaal is, voor dat wat niet direct onder worden gebracht kan worden – een punt dat Grossman illustreert aan de hand van de openingswoorden van Wordsworths gedicht:

Behold her, single in the field,
Yon solitary Highland Lass!

De spreker wijst ons, alsof we naast hem op een heuvel staan, op datgene wat van belang is. Het is precies die beweging van wijzen waarin het gedicht al tekort schiet. Het wijst op wat het niet kan beschrijven, dat waarvan de spreker het belang herkent ‘but the significance of which he does not know’. Poëzie wil representeren, op de een of andere manier, wat niet simpelweg benoemd kan worden. Het poogt een onmogelijke vertaling; het toegankelijk maken in taal van wat de taal vreemd is.

Ze behouden een ideaal karakter, vol mogelijkheden, nog onbepaald.

Als dat je spiritueel of mystiek in de oren klinkt, dat is niet vreemd. Volgens Grossman is het deze interesse en praktijk die poëzie en religie op zo’n gespannen voet plaatst (iets dat anderzijds verklaart waarom zoveel mystici hun toevlucht zoeken tot de poëzie). Poëzie en religie raken elkaar rondom een vorm van openbaring: het verschaffen van een soort grensoverschrijdende toegang. Althans, als een poging daartoe, wat Grossman betreft.

Een gedicht is daarmee, om de uitdrukking van Grossman te gebruiken, ‘an integration per impossibile’, de vereniging van onverenigbaren – en daarom altijd ook virtueel. Wordsworths openingswoord wijst voorbij het gedicht naar de maaier en het lied die nooit als zodanig geassimileerd kunnen worden. Ze behouden een ideaal karakter, vol mogelijkheden, nog onbepaald. En daarin ligt een sociale en ook politieke waarde van poëzie.

Het nieuwe en het andere

Als we het dan over de verhouding van poëzie tot mystiek en religie hebben, is er een interessante versie van Grossmans ideeën terug te vinden bij Rutger Kopland. Nu is Kopland misschien niet de Nederlandse dichter waar men aan denkt bij het woord ‘lyriek’ ik niet in ieder geval. Zijn poëtica – als je de afdeling ‘Over het maken van een gedicht’ uit Al die mooie beloften (1978) zo mag noemen – vertoont echter wel interessante overeenkomsten met Grossmans ideeën, waarmee meteen inzichtelijk wordt waarin poëzie verschilt, of kan verschillen, van religie.

‘Over het maken van een gedicht’ heeft een dagboekvorm. Tussen het schrijven, regel voor regel, van een gedicht door, denkt Kopland na over wat poëzie is, of in ieder geval wat zijn poëzie behelst. Of hij ergert zich:

Iedereen treft in mijn poëzie het verloren paradijs aan, het verlangen daarnaar, de afgesloten deur, daarachter ligt het paradijs. O ja? Ik verlang niet naar vroeger … Ik verlang naar ervaring en ervaring is nieuw[.]

Kopland wil niets te maken hebben met een verlangen naar een religieuze perfectie, voorbij of komend. Een paradijs impliceert een God die al weet wie hij is en zal worden en ‘gekend worden op die manier is hetzelfde als niemand zijn … Ik wil  niet worden gekend, ik wil altijd een ander zijn.’ Koplands verlangen naar het nieuwe en andere is een verlangen naar openheid en mogelijkheden. Het gaat hem daarmee juist ‘om de verlossing uit het gesloten paradijs, om de vraag wat er is buiten de deur.’

‘Het is de dwang die ik wil vermijden,’ schrijft Kopland.

Om teksten te schrijven die ‘in wisselende situaties en veranderende tijden geldig blijven’ beweegt Koplands poëzie zich in de richting van wat hij abstractie noemt en ‘onduidelijk op het eerste gezicht’. De wandeling die de aanleiding vormde voor het gedicht dat hij probeert te schrijven, moet een gedicht opleveren dat steeds opnieuw door weer anderen gelezen kan worden. Dat persoonlijke moet algemeen worden, en het is daarin dat Kopland, denk ik, stuit op een de onverenigbaarheid waar Grossman het over heeft. De abstractie die Kopland als een noodzakelijk onderdeel van zijn poëzie ziet, het veralgemeniseren van zijn persoonlijke ervaringen, dat is een vorm van virtualisatie.

‘Het is de dwang die ik wil vermijden,’ schrijft Kopland, ‘laten zij,’ de lezers, ‘zichzelf herkennen in wat ik schrijf, laat men onafhankelijk zijn.’ Welke ervaringen Kopland in zijn meest geslaagde poëzie beschrijft, dat ligt open, blijft onbepaald. En dat betekent dat de lezers niet alleen kunnen herkennen wie ze zijn maar ook wie ze, misschien, nog kunnen worden en wat ze nog zouden kunnen ervaren.

Interesse in het onrealiseerbare

Voor zover Koplands gedichten virtueel kunnen blijven, verenigen zij het algemene en het persoonlijke. Ze bieden een vorm van toegang tot wat onmogelijk concreet gemaakt kan worden. In die lijn moeten we Grossman begrijpen als hij stelt dat gedichten mediëren: ze representeren wat niet als zodanig gepresenteerd kan worden. Het is in die zin dat politieke problemen structureel identiek zijn met poëtische, volgens Grossman, omdat ze zich afspelen op het gebied van representatie van idealen. ‘Political problems are,’ schrijft Grossman, ‘structurally identical with problems of representation’.

Poëzie kan in die zin dienen als een manier om virtueel toegang te verkrijgen tot die idealen waar we in moeten geloven ondanks dat ze niet verwezenlijkt kunnen worden. Sterker nog, virtueel als ze zijn, komt idealen slechts geloof toe. Zoals in elk gedicht, kan geen verwezenlijking een ideaal recht doen. Soortgelijk aan hoe poëtische interesse uitgaat naar het onvertaalbare, zo zou onze politieke interesse uit kunnen gaan naar het onrealiseerbare – waarbij elke poging tot verwezenlijking vooral ook een verwijzing naar het niet behaalde ideaal moet blijven.

Het is precies die positie van waaruit ieder van ons een politieke rol op zich kan nemen.

Ben Lerner stelt in een interview over The Hatred of Poetry dat hij deze structuren zelf vanuit een soort linkse poëtica benadert: ‘We all know we can’t do anything that isn’t shot through with capital, but we also want to figure the outside—you can make works that can negatively figure what they can’t actualize.’

In zijn essay gaat Lerner nog weer op een andere manier in op de manier waarop problemen van representatie politiek worden. In een geweldige lezing van Claudia Rankine’s Citizen, die we op deze website al eens eerder aanhaalden, toont Lerner hoe de openheid van persoonlijk voornaamwoorden ingezet kan worden om raciaal verschil ervaarbaar te maken. Wie ‘jij’ is, in een tekst, ligt in principe open. Het zou bijvoorbeeld de lezer kunnen zijn – een mogelijkheid waar veel schrijvers gebruik van proberen te maken. ‘Jij’ is een woord dat dus heel duidelijk een virtualiteit produceert maar in geen enkel gedicht kan het daadwerkelijk iedereen aanspreken en volkomen universeel zijn. Dat ideaal is onverwezenlijkbaar. Die ontoereikendheid benadrukt Rankine door gedichten te schrijven waarin ‘jij’ juist de meerderheid niet aan kan spreken, door de jij te confronteren met discriminatie en uitsluiting.

Rutger Kopland doet een beetje min over politieke poëzie, die blijft hem teveel gebonden aan een specifieke context (al toont Rankine dat er politieke poëzie bestaat die meeverandert met de context waarin ze wordt gelezen). Maar zijn verlangen zijn lezer onafhankelijk te laten zijn krijgt in de context van Grossmans en Lerners ideeën toch ook een politieke bijklank. Koplands poëzie dicteert niet voor zover ze virtueel blijft; de lezer leest wat hij of zij kan en wil lezen en wordt daarmee in een onafhankelijke en daarmee ook verantwoordelijke positie geplaatst. Het is precies die positie van waaruit ieder van ons een politieke rol op zich kan nemen en keuzes kan gaan maken om een ideaal te benaderen.

grossman-true-loveAllen Grossman
True-Love: Essays on Poetry and Valuing
(Chicago: The University of Chicago Press, 2009)

De website van Allen Grossman
De website van The University of Chicago Press

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

3 gedachten over “‘Political problems are structurally identical with problems of representation’ – Over waar poëzie politiek wordt”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *