Bespreking

Echtheid

Detail uit 'El pescador' – Joaquín Sorolla y Bastida
Detail uit 'El pescador' – Joaquín Sorolla y Bastida

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay, een bespreking van Lerners poëzie, en een blik op het werk van zijn grote invloed Allen Grossman, sluiten we vandaag de maand af met een stuk over zijn eerste roman.

Veel van wat Lerner in The Hatred of Poetry uitwerkt, is in een bepaalde vorm al terug te vinden in zijn eerste roman. Leaving the Atocha Station gaat over Adam Gordon, een Amerikaanse dichter die met een beurs een jaar lang in Madrid verblijft. Hij denkt na over, krijgt te maken met en beleeft de thema’s van Hatred: de spanning tussen het werkelijke en het virtuele, tussen dichterschap en werk, de moeilijkheid poëzie als iets politieks te zien. Op een zeker moment citeert Adam de titel van het gedicht waar Hatred mee opent.

Al is citeren misschien het woord niet, want hij doet alsof de titel zijn eigen antwoord is op een vraag van een Spaanse vrouw, en in het gesprek gaat het verder nooit over het gedicht van Moore dat de titel draagt. Hij ‘doet alsof’ – dat gaat op voor vrijwel heel het boek. Of zo lijkt het. Om bij het voorbeeld van de ‘geciteerde’ titel te blijven: zijn antwoord is ook, in zekere zin, een antwoord dat Adam op dat moment geeft op een bepaalde vraag, zij het een nogal wazige.

Terwijl Adam heel de tijd een betere impressie van zichzelf achter probeert te laten dan het beeld dat hij van zichzelf heeft, terwijl hij liegt en suggereert en poseert, bekruipt hem op een zeker moment de gedachte dat alleen het idee dat hij een bedrieger is bedriegelijk is – dat hij vooral of zelfs alleen zichzelf voor de gek houdt door steeds te denken dat hij niet oprecht is.

‘An inestimable loss, a loss not of artworks but of art’

Adam is de belichaming van Lerners ideeën over gedichten. Ze schieten, en Adam schiet, altijd tekort in het licht van een onmogelijk ideaal, maar zowel Adam als de gedichten proberen in dat tekortschieten ‘voorbij zichzelf’ te wijzen, het virtuele voelbaar of toegankelijk te maken. In het geval van Adam zorgt dat voor flinke hoeveelheden identiteitscrisis, en is het steeds meer de vraag of zijn pogingen ‘meer te zijn’ dan hij is ook maar enigszins lukken.

Elk gedicht is maar een poort die zichzelf moet uitwissen. Allen Grossman zegt het in zijn essay over Wordsworths ‘The Solitary Reaper’ (waarover het eerder ging), iets formeler:

“The poetic interest” is therefore that virtual, non-formal (unrepresentable) principle that grounds representation, often signified by strange or indigenous or untranslatable languages, to which the actual poem supplies access by formal representational means.

Er is ‘iets’, het ‘echte’, de ‘werkelijkheid’ – al die woorden, die wat ze proberen te zeggen alweer bedekken, zoals gedichten dat doen – en de gedichten proberen het toegankelijk te maken. Waarom zou je iets toegankelijk proberen te maken door middel van een medium dat het juist bedekt? Ik geloof dat Adam daar op een gegeven moment het antwoord op geeft nadat hij in Madrid heeft voorgedragen:

I tried hard to imagine my poems or any poems as machines that could make things happen, changing the government or the economy or even their language, the body or its sensorium, but I could not imagine this, could not even imagine imagining it. And yet when I imagined the total victory of those other things over poetry, when I imagined, with a sinking feeling, a world without even the terrible excuses for poems that kept faith with the virtual possibilities of the medium, without the sort of absurd ritual I’d participated in that evening, then I intuited an inestimable loss, a loss not of artworks but of art, and therefore infinite, the total triumph of the actual, and I realized that, in such a world, I would swallow a bottle of white pills.

Het wegnemen van alle gedichten betekent niet dat we opeens moeiteloze toegang zouden krijgen tot het ideaal dat ze bedekken. Elk gedicht doet niets anders dan dat bedekken, tegelijkertijd blijft er geen Poëzie over als je alle bedekkingen wegneemt, als je de som van al dat falen zou willen uitwissen. Zoals er ook niet plotseling een democratische staat zou bestaan als je alle falende manifestaties ervan zou ontbinden.

‘Or if this division […] just was experience’

Iets soortgelijks gebeurt ook met Adams identiteit, die hij heel de tijd denkt te bedekken, omdat hij zich heel de tijd anders voor denkt te doen dan hij is. Omdat hij heel de tijd denkt nep te zijn. Hij houdt geen enkel idee van zichzelf over omdat wie hij ‘is’ iemand anders zou moeten zijn dan alle poses die hij aanneemt, maar zonder die poses blijft er niemand over. Het deed me denken aan een aforisme en een kort verhaal van Kafka, die ik hier maar in hun geheel citeer – de laatste in de vertaling van Nini Brunt.

Het aforisme:

De waarheid is ondeelbaar, kan haarzelf dus niet herkennen; wat haar zou willen herkennen, moet een leugen zijn.

En het verhaal:

Over de gelijkenissen

Velen klagen erover dat de woorden der wijzen altijd weer slechts gelijkenissen zijn, niet te gebruiken in het dagelijkse leven, en alleen dat hebben wij. Wanneer de wijze zegt: ‘Ga naar de overzijde,’ dan bedoelt hij niet dat je naar de overkant moet gaan, wat je in ieder geval nog zou kunnen doen, als het resultaat de moeite waard zou zijn, maar hij bedoelt ergens een legendarische overzijde, iets dat wij niet kennen, dat ook door hem niet nader aangeduid kan worden en dat ons dus hier in het geheel niet helpen kan. Al die gelijkenissen willen eigenlijk alleen maar zeggen, dat het ongrijpbare ongrijpbaar is, en dat wisten wij al. Maar de dingen waarvoor wij ons heel de dag uitsloven, dat is iets anders.
Toen zei iemand: ‘Waarom verzetten jullie je? Als je de gelijkenissen zou volgen, dan zouden jullie zelf gelijkenissen zijn geworden, en daardoor al bevrijd zijn van de dagelijkse zorg.’
Een ander zei: ‘Ik wed dat ook dit een gelijkenis is.’
De eerste zei: ‘Jij hebt gewonnen.’
De tweede zij: ‘Maar helaas alleen in de gelijkenis.’
De eerste zei: ‘Nee, in werkelijkheid; in de gelijkenis heb je verloren.’

Tijdens het nadenken over wat er staat jaag je een telkens weer omklappende spiegel na, waarvan je de achterkant maar niet te zien krijgt. Je kunt niet vanuit de gelijkenis zeggen dat ‘ook dit’ een gelijkenis is, je moet het vanuit de werkelijkheid zeggen, en dan win je. Tegelijkertijd wordt dat in een gelijkenis gezegd – die van Kafka zelf. Maar precies daar mogen de sprekers geen weet van hebben, die waarheid mag of kan zichzelf niet herkennen.

Adam volgt de gelijkenis om er een te worden – dat mag hij zelf alleen nooit weten.

Hetzelfde gebeurt op een zeker moment in Lerners roman; Adam beleeft een paar volstrekt saaie dagen waarvan hij doorheeft dat hij ze niet zou kunnen beschrijven, omdat dat ze op een bepaalde manier thematisch zou verzamelen als ‘saaie dagen’, wat precies niet is hoe het voelt. Wat hij kan beschrijven en wat hij kan beleven lijken twee onverenigbare dingen – en eigenlijk niet alleen nu, nu hij zich verveelt, maar heel de tijd.

I wondered if the incommensurability of language and experience was new, if my experience of my experience issued from a damaged life of pornography and privilege, if there were happy ages when the starry sky was the map of all possible paths, or if this division of experience into what could not be named and what could not be lived just was experience, for all people for all time. Either way, I promised myself, I would never write a novel.

‘I would never write a novel’, zei de vertelstem overtuigd. En dat is niet puur een gedachte die Adam ‘op dat moment’ had, alsof hij later besloot toch een roman te schrijen. Dat soort tijdsbepalingen worden door de roman op losse schroeven gezet: tijdens het beschrijven van een ander moment vraagt Adam zich opeens hardop af of hij iets ‘toen al zag’ of ‘maanden later pas’, op andere momenten lijkt hij meteen al terug te kijken op wat hij voor het eerst ziet. I would never write a novel. Adam volgt de gelijkenis om er een te worden – dat mag hij zelf alleen nooit weten.

‘Deepend, not dispelled’

Het is een heel hedendaags thema, lijkt het – echtheid. Literatuur gaat weer terug naar de echtheid, schrijven mensen, heeft een nostalgisch verlangen naar echtheid, oprechtheid, authenticiteit. En niet alleen de literatuur, ook in ons denken zijn we toe aan een ‘nieuw realisme’, bericht een denker in de krant. We hebben veel geleerd van dat gekke postmodernisme, en nu willen we weer normaal doen. (En dat noemen we dan ‘postpostmodernisme’, of ‘nieuw realisme’, of ‘speculatief realisme’).

Wáren er ooit happy ages waarin alles klopte?

Hoe vaker ik dat langs zie komen, hoe meer ik het idee krijg dat ik de denkers van de afgelopen 50 jaar volstrekt anders lees dan de mensen die aan ze voorbij willen gaan.

Hierom: ik heb nooit het idee gehad dat de denkers die ik lees de werkelijkheid weg hebben willen nemen, echtheid onmogelijk hebben willen maken. Het is zoals Adam zich afvraagt: wáren er ooit happy ages waarin alles klopte, lukte, waarin de beleving en verwoording nog goed samenvielen? Nee – die ‘division’ tussen wat geleefd en gezegd kan worden, dat is ervaren. Dat is volgens mij waar we het de laatste decennia over hebben gehad. En dat maakt leven niet opeens onmogelijk, noch wat we zeggen onwaar. Het maakt dat die twee zich op manieren tot elkaar verhouden die nadere aandacht waard zijn.

Dat is waarom ik het – ‘het’ postmodernisme, hoewel die term dus verschrikkelijk ongeschikt is – niet kan zien als een tijdperk in een reeks tijdperken. Het gaat om een bepaalde aandacht voor grenzen, voor waar we aan het versimpelen zijn, en hoe dat misschien beter kan. Dat is niet iets van de laatste eeuw – dat proberen mensen al veel langer.

Een ‘terugkeer naar echtheid’ doet me juist denken aan die café’s in hoofdsteden die beloven een authentic experience te bieden. De ‘terugkeer’ zou zo’n café natuurlijk niet zien als authentiek, zou het terzijde schuiven als de zoveelste manier geld te verdienen aan vakantiegangers. De café’s falen al omdat ze zoiets aanbieden, het aanbod zelf maakt ze toeristisch.

Maar wat dan nog?

Zou een toerist, wanneer hij een ‘echt’ ‘lokaal’ café binnenliep, een authentic experience ervaren? Misschien mislukt het meteen al omdat de bediening niet in het Engels begint. Of in het Engels begint, maar de toerist dat zelf niet als moedertaal spreekt. Het lokale café is voor hem of haar niet zoveel authentieker dan het toeristische.

Het toeristische café is een poging tot vertalen.

Dit lijkt weer zo’n typisch moment waarvan mensen denken dat ‘het authentieke’ dus onmogelijk is, of dat je dat nu zou moeten concluderen. Dat we met een nieuw realisme daar van af willen zijn. De conclusie is volgens mij niet dat ‘het authentieke’ onmogelijk is, maar dat die wegvalt als je zeker wilt weten dat je het zal gaan ervaren. Dat schept een situatie waarin je dat jezelf onmogelijk maakt.

We moeten niet bang zijn te falen, zolang we niet terugvallen in een naïviteit dat alles maar lukt. Als we aandacht hebben voor hoe we falen, kunnen we ons een beter beeld vormen van datgene waaraan we tekortschieten – en dat is juist wat we na willen jagen. Dat is waarom we gedichten ‘haten’, waarom we hun tekortkomingen niet door de vingers moeten zien. In het letten op de tekortkomingen, in het ervaren van de tekortkoming, komen we dichterbij wat we willen. Dat is waar Lerner in zijn essay ook mee eindigde:

All I ask the haters—and I, too, am one—is that they strive to perfect their contempt, even consider it to bear on poems, where it will be deepend, not dispelled, and where, by creating a place for possibility and present absences (like unheard melodies), it might come to resemble love.

(PS)

Het toeristische café is een poging tot vertalen. Een vast falende poging tot vertalen – maar toch. Richting het einde van Leaving the Atocha Station stelt Adam zijn vertaalster voor bij een lezing de rollen om te draaien. ‘Teresa would read the originals and I would read the translations and the translations would become the originals as we read.’ Dat is geen ‘devaluering’ van het echte, geen ontkenning van de werkelijkheid. Er staat niet: the translations would become the originals. Er staat: the translations would become the originals as we read. Het is een poging – misschien een falende, vast een falende – om de gedichten in elk geval tijdens die lezing voorbij zichzelf te laten wijzen, ze een idee laten geven van het originele gedicht, dat er niet is, niet zonder bedekkingen. Op het moment van de lezing zullen toeschouwers een Amerikaanse dichter zijn Spaanse gedichten voor horen dragen, zullen ze zijn vertaalster Engels horen spreken, in een tijdelijk theater dat zichzelf hopelijk pas achteraf – wanneer de ervaring, de werkelijke, echte beleving al geweest is – herkent.

leaving-atocha-new-coverBen Lerner
Leaving the Atocha Station
(Minneapolis: Coffee House Press, 2011)

Ned. vertaling door Ronald Vlek
Vertrek van station Atocha
(Amsterdam: Atlas Contact, 2014)

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

Een gedachte over “Echtheid”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *