Bespreking

‘likers / wissen waar reality / de waarheid is’ – Over het interpreteren van sociale media

Detail uit 'Les Demoiselles d'Avignon' - Pablo Picasso (1907)
Detail uit 'Les Demoiselles d'Avignon' - Pablo Picasso (1907)

Eerder dit jaar berichtte Time over het eerste grote onderzoek naar de effecten van sociale media op lichaamsbeeld en eetpatronen. Het resultaat? Er bestaat een sterke associatie tussen het gebruik van (visueel georiënteerde) sociale media en problemen rondom lichaamsbeeld, zoals bijvoorbeeld anorexia. In haar bundel Als je een meisje bent (2015) schrijft Maartje Smits over zulke problemen, die kunnen ontstaan binnen de afstand tussen zelf, zelfbeeld en ideaal, zoals in deze strofe:

zij drinkt ik wacht slik
tot zij slikt wacht
drinkt
weer slik ik wacht week mijn tong
zij
 drinkt me weg ik wacht
tot er genoeg tot ze slikt ik slok
tot we weg kunnen voeren vergeten
uitslikken wat tussen ons drong

Elke slok ‘weerstandsthee’, zoals we eerder in dit gedicht ‘14 theelepeltjes’ lezen, creëert afstand tussen zelfbeeld en ideaal. Sterker nog, wie neemt de slokken? Zíj, niet ik – het zelf staat aan de kant van het ideaal, dat niet drinkt, dat niet eet. Een vervreemding die alles te maken heeft met representatie, met hoe we een beeld van onszelf vormen. Binnen sociale media draait het voor een groot deel om dat zelf en hoe we het reprecenteren aan anderen maar eventueel ook aan onszelf.

Smits gedichten gaan subtiel en genuanceerd in op die relatie tussen representatie, werkelijkheid en waarheid in een wereld met internet en sociale media. Om die nuances te zien moeten we echter niet te vlug lezen, een risico dat sommige recensenten wel lopen in hun receptie van Smits bundel.

Straat-, internet- of sociale mediataal

Genoeg recensenten spotten internet-taal of de taal van sociale media in Smits gedichten, naast alle andere dialecten en talen (Duits, Engels) die ze gebruikt. Jatina Monna stelt in haar dubbelrecensie in de Trouw (€) dat er in de gedichten ‘via een andere taal – de taal van internet, sociale media – ook een andere blik op seksualiteit ontstaat.’ Martenjan Poortinga heeft het in zijn recensie op Literair Nederland over modern taalgebruik en over straattaal als ‘de taal van meisjes’. En in haar recensie op Ons Erfdeel schrijft Kila van der Starre dat ‘Smits’ poëzie laat zien dat we tegenwoordig ook internetmetaforen gebruiken om de offline-realiteit te beschrijven’. En er is inderdaad sprake van ‘followers’ die ‘liken’, chatten, ‘een flatterend filtertje’ en dat het ‘a truth universally acknowledged’ is ‘dat op profielfoto’s wordt afgetrokken’.

Deze beoordelingen lopen echter het risico die straat-, internet- of social mediataal voornamelijk als een imitatie op te vatten. In haar interpretatie van Smits’ videopoem van het gedicht ‘Via’ schrijft Van der Starre:

Net als in de bundel lijkt de ervaring van het internet hier in poëzie te worden nagebootst: een stortvloed aan meertalige informatie in woord (zowel geschreven als oraal) en beeld wordt in zowel narratieve vorm als in de internettraditie van “tags” aan ons gepresenteerd.

Dat Poortinga de straattaal die Smits gebruikt vooral een ‘meerwaarde’ vindt hebben omdat het  de taal is die jonge meisjes spreken, is wat mij betreft het duidelijkste voorbeeld van de manier waarop we deze registers puur als versiering of decor kunnen gaan lezen. Poortinga benadert deze woordkeuze als niet meer dan een soort markering van hedendaagsheid of meisjesachtigheid. Smits imiteert dan vooral hoe het internet spreekt, werkt of klinkt, of hoe meisjes spreken.

Het onderscheiden van een internettaal alleen levert eigenlijk al problemen op. Van der Starre noemt ‘zoom’, ‘refesh’ en ‘pop-up’ internetmetaforen, in tegenstelling tot termen als ‘surfen’, ‘link’ en ‘cloud’, dat zijn termen uit het pre-internet tijdperk die een nieuwe betekenis hebben gekregen. Inzoomen, bijvoorbeeld, komt echter overwaaien uit de fotografie (maar het woord kent een nog wat uitgebreidere etymologie) en kinderboeken ‘popten’ al ‘up’ voordat er internetreclame bestond. We zouden dit onderscheid nog terug kunnen brengen tot de “richting” van de metaforen. Een woord is in dat geval een internetmetafoor als de online connotatie ervan, bijvoorbeeld de manier waarop je een pagina vernieuwd, toegepast wordt op de offline-werkelijkheid.

Kinderboeken ‘popten’ al ‘up’ voordat er internetreclame bestond.

Maar op dat punt is wat we nog moeten verstaan onder internettaal al redelijk ambigu geworden. Het lijkt meer te gaan om een bepaalde manier waarop we die woorden kunnen gebruiken. En volgens mij gebruikt Smits, in die zin, woorden op meer dan één manier tegelijk.

Ik wil niet zeggen dat er géén sprake is van nabootsing. Maar wie het in een lezing van haar poëzie bij die beoordeling laat, benadert Smits behandeling van de complexe relatie tussen representatie en werkelijkheid niet aandachtig genoeg. De gedichten van Smits representeren de werkelijkheid niet alleen, ze duiden die ook, en tonen ons, in hoe de gedichten zelf om duiding vragen, hoe belangrijk het is om elke representatie — ook profielfoto’s en tweets — te blijven duiden.

Over een vrouw/schip

Het gedicht ‘Meer benen’ opent met deze regels:

ik möchte een vrouwship
zijn shallow schouwdek weze
een beetje bitse lust objection

Dit is niet zozeer een voorbeeld van die zogenaamde internettaal, maar we zien hier geconcentreerd hoe Smits talen door elkaar schrijf tot een soort dialect dat ergens tussen het Nederlands, Duits en Engels in hangt. Door ‘vrouwship’ te schrijven, bijvoorbeeld, ontstaat er een woord dat de betekenissen ‘vrouw-schip’ en ‘vrouw-schap’ (als in lordship) samenbrengt – waar Smits op bouwt met woorden die connotaties hebben met beide. Het ‘shallow’ als letterlijk en figuurlijk ondiep, oppervlakkig – hoort dat dan bij het vrouw-schap?

In dat ‘bitse’ komt pas de wereld van computers ter sprake, maar wel binnen een woord dat vooral met venijn te maken heeft. Een oudere betekenis van ‘bits’, die vooral voor dieren werd gereserveerd, is: tot bijten geneigd. Bits en bytes? Of gaat die interpretatie te ver terug? Het combineert interessant met dat woord ‘objection’. Dat betekent allereerst bezwaar, weerstand – maar er klinkt ook ‘objectivering’ in door binnen een gedicht over een vrouw/schip.

Dat maakt objectivering, bijvoorbeeld, ook juist zo problematisch.

Smits creëert hier een betekenisnetwerk waarbinnen de weerstand, de ondoordringbaarheid van een object weer ter sprake kan komen: het geobjectiveerde vrouwenlichaam verleent in die zin ook geen toegang meer tot de persoonlijke binnenkant. Zo’n vrouwelijkheid kan zowel een inkapseling zijn in een algemene seksualisering als een soort agressief – bits – afweermiddel of schild. Bij dat laatste mogen we best denken aan Beyoncé, die zichzelf bewust seksualiseert – zo’n vrouwschap tot haar vrouwschap maakt.

Objectivering blijkt in die zin complexer te zijn dan we gemakkelijk kunnen stellen. En de vermenging van talen is niet alleen een nabootsing van de meertalige informatie die het internet op ons afvuurt; Smits is bezig de duidelijke grenzen die we tussen taal, woord, betekenissen en onderscheiden denken, subtiel te ondergraven. Want dat maakt objectivering, bijvoorbeeld, ook juist zo problematisch: dat het in zijn werking niet per definitie kwalijk of wenselijk is. Dit gedicht maakt het in haar duiding mogelijk objectiviteit zo te duiden.

De verhouding van sociale media tot de werkelijkheid

In het gedicht ‘Een lege sms’ weet Smits de complexe verhouding van sociale media tot de werkelijkheid op eenzelfde manier te benaderen. Dit is een van de laatste strofes:

ren door
een luchtfoto van de wereld
zoom uit weil followers liken
ratings stijgen likers
wissen waar reality
de waarheid is

Rondom dat woord ‘wissen’ spant het. In het Nederlands betekent het uitwissen, verwijderen, maar als het Duits is, staat er juist ‘weten’. Binnen die dubbele betekenis vat Smits iets van de werking van sociale media, waar iemand misschien begeerlijk of interessant is afhankelijk van hoe goed hij of zij beoordeeld wordt: waar de likers zulke waarheden bepalen.

Die termen ‘ratings’ en ‘reality’ verwijzen ook naar televisie en een genre aan programma waarin beroemde of minder beroemde mensen zichzelf spelen. Daar lopen personage en identiteit in elkaar over. Facebook brengt zo’n ratings-systeem in het spel rondom onze dagelijkse of minder dagelijks berichten, foto’s of filmpjes – een statistische variant van hoe beoordeling überhaupt belangrijk kan zijn voor hoe we onszelf zien.

Hoe we onszelf reduceren

De in Tsjechië geboren filosoof Vilém Flusser (1920-1991) publiceerde in 1983 het boekje Für ein Philosophie der Fotografie, waarin hij fotografie benadert als techniek waarmee we de realiteit zowel construeren als begrijpen. Fotograferen is volgens hem een vorm van abstractie: ‘het vermogen om fenomenen tot tweedimensionale symbolen te codificeren’. Flusser benadrukt daarbij dat fotografie niet moet worden gezien als een soort bevroren tijd, alsof je een gebeurtenis hebt “vastgelegd”; foto’s ‘vervangen gebeurtenissen door standen van zaken en vertalen ze naar scènes.’ Er is geen sprake van een bevroren moment in zijn geheel maar van een bepaalde ordening en compositie, een bepaald perspectief.

Foto’s zijn een medium, een bemiddeling tussen ons en de realiteit: het is een versimpeling waarmee we de complexere, pluriforme realiteit kunnen duiden. Denk bijvoorbeeld aan hoe pas met behulp van fotografie vastgelegd kon worden hoe de galop van een paard verloopt. Als specifiek perspectief maken foto’s de realiteit begrijpelijk, volgens Flusser, maar slechts wanneer we onthouden dat het om een beperkt perspectief gaat. Foto’s zouden als landkaarten moeten fungeren, als een hulpmiddel, maar ze veranderen in sluiers die de realiteit verhullen wanneer mensen ophouden ze te interpreteren en ze in plaats daarvan als de realiteit projecteren op de wereld. Flusser noemt dat met enig gevoel voor melodrama ‘verafgoding’. Wie vergeet dat een foto of afbeelding bedoeld was ter oriëntatie, wordt onderhevig aan de codes die hij of zij op de wereld projecteert.

Met andere woorden: wie begint te geloven dat hij eruit ziet zoals hij dat op foto’s doet, reduceert zichzelf.

Een ‘flatterend filtertje’, zoals Smits het uitdrukt, kan een eigenschap beter doen uitkomen maar is tegelijk ook een afvlakking – flat als in plat. Maar: elke afbeelding is dat per definitie – een abstractie, een specifiek perspectief. Smits benadrukt dat als ze schrijft: ‘een Profilbild mooier / dan ik zelf’. Met dat Duits legt ze de nadruk op hoe ‘profiel’ ook ‘zijaanzicht’ betekent.

Het punt is echter ook dat we niet meer dan specifieke perspectieven hebben, aan het totaaloverzicht komen we niet toe. Als we een zijaanzicht gaan behandelen als een volledig beeld, komen we in de problemen. Een foto of een tekst biedt de mogelijkheid om iets te leren over de werkelijkheid – niet alles, maar een stukje – maar dan moeten we ze wel interpreteren. Hetzelfde geldt voor Smits’ poëzie. Haar gedichten zijn geen pure nabootsingen van de werkelijkheid maar bieden een mogelijkheid om die te duiden. En in hun duidbaarheid doen ze de lezer tegelijk ervaren hoe belangrijk het is om elke representatie van de werkelijkheid — een foto, een statusupdate of een gedicht — te blijven interpreteren als het specifieke perspectief dat het moet blijven.

als-je-een-meisje-bent

Maartje Smits
Als je een meisje bent
(Amsterdam: De Harmonie, 2015)

De website van Maartje Smits
De website van De Harmonie

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Een gedachte over “‘likers / wissen waar reality / de waarheid is’ – Over het interpreteren van sociale media”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *