Bespreking

‘exorbitant, as a secret must be’ – Hoe verleidelijk te blijven

Uitsnede Le Mepris poster

Full disclosure: ik heb Milton’s Paradise Lost (1663) niet uitgelezen. Mijn aantekeningen houden ergens in Boek V op. Dit gebrek aan uithoudingsvermogen heeft me er niet van weerhouden de volgende regels te lezen in Boek IV. Aan het woord is de engel Gabriël die gadeslaat hoe Adam en Eva, nog niet verleid, in het paradijs in elkaars armen verstrengeld liggen te slapen: ‘Sleep on / Blest pair; and O yet happiest if ye seek / No happier state, and know to know no more.’ Binnen de context van de epiek verwijst dit adagium vooral naar de verleiding van Eva door de slang en van Adam door Eva om te eten van de boom van kennis. Meer allegorisch gelezen, klinkt het als een goede raad aan ieder die gelukkig wil zijn – of, in ieder geval, aan ieder die zijn geluk niet op het spel wil zetten voor de mogelijkheid op meer.

Gabriël plaatst, onvoorzien, de verleiding van het paar in de context van een verlangen om méér te weten, om álles misschien wel te weten te komen. Ik vermoedde, toen ik de uitspraak las, dat verleiding – en het verlangen dat het op moet wekken – misschien kennis, weten, als inzet heeft. Anne Carson schrijft in haar boeklange essay over verlangen Eros, the Bittersweet (1986) dat kennen of denken in ieder geval gestructureerd wordt door een soort verlangen. In een hoofdstuk over Socrates legt ze kort uit waar die filosoof, die zoveel wist over wat hij niet wist, Eros plaatste binnen zijn dagelijkse ondervragingen. Elk denken is een dubbele beweging:

we think by projecting sameness upon difference, by drawing things together in a relation or idea while at the same time maintaining the distinctions between them.

De verbindingen die denken legt, overbruggen de verschillen tussen de dingen waarover gedacht wordt door ze onder een nieuwe noemer te verzamelen – het zijn die afstanden tussen de dingen die het verschil maken tussen wat we wel en niet weten:

in any act of thinking, the mind must reach across this space between known and unknown, linking one to the other but also keeping visible their difference. It is an erotic space.

Die ruimte en het reiken van ons denken, zijn volgens Carson erotisch omdat ze een fictie noodzaken, een poëtische stab in the dark of een erotische kunstgreep. Door het gehele essay leest ze hoe schrijvers van Sappho tot Virginia Woolf zulke listen inzetten om het andere, ontbrekende of onbekende te vatten:

The same subterfuge which we have called an “erotic ruse” in novels and poems now appears to constitute the very structure of human thinking. When the mind reaches out to know, the space of desire opens and a necessary fiction transpires.

Zo vertelt de slang in het paradijs ook een verhaal om Eva te verleiden om van de boom te eten: ‘God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad’. God weet wat dat inhoudt, “als God zijn” of “goed en kwaad”. Het enige dat Eva weet, is dat ze niet zo is. Nog niet. Een hap maakt het verschil tussen iets en meer, misschien wel alles weten.

Twee zijden van dezelfde munt

Carsons nieuwste verzameling Float (2016) is een transparante cassette met drieëntwintig chapbooks erin (voor de minder-rijken bestaat er ook een paperback). In het pamflet Contempts onderzoekt ze de relatie tussen verleiding en winst met een lezing van de Odyssee en een roman-adaptatie van de Odyssee en een film-adaptatie van die roman. Ze concentreert zich op Odysseus relatie tot zijn vrouw Penelope en het hoofdstukken waarin de vermomde Odysseus spart met zijn vrouw tot zij hem ontmaskert. In een fragment uit hun gesprekken doet Odysseus alsof hij haar man recent tegen het lijf liep. Haar echtgenoot had allang thuis kunnen zijn maar het was voordeliger om reizend schatten te verzamelen, want ‘Odysseus knows profit over and above all mortal men,’ vertaalt en benadrukt Carson. Deze uitspraak verbaast Penelope niets, stelt Carson vervolgens: ‘She knows her husband, she knows the economic system in which he is a player.’

Zijn economische houding en zijn liefde voor zijn vrouw zouden wel eens ‘two sides of the same coin’ kunnen zijn.

Dat systeem is de gifteneconomie van de superrijken, die niet gebaseerd is op handel en winst, maar op het geven van cadeaus: schatten, keimēlion. Dit Grieks legt Carson uit als “iets dat weggelegd is”, oftewel iets dat de eigenaar niet nodig heeft om te overleven. Wat ze nog hebben liggen. Deze schatten worden uitgewisseld onder aristocraten, zonder winstoogmerk. Odysseus onderscheidt zich door wel degelijk te berekenen wat er te halen valt, zeker als het gaat om zijn vrouw. Zijn economische houding en zijn liefde voor zijn vrouw zouden wel eens ‘two sides of the same coin’ kunnen zijn, schrijft Carson met gevoel voor metafoor.

Tijdens zijn rondreis belandt Odysseus ook op het eiland van Kalypso, een godin die verliefd op hem is geworden en daarom voor aan aantal jaar vasthoudt. Het is een magisch eiland, dat in alles voorziet. Kalypso wil Odysseus voor altijd in dat alles voorzien, hij hoeft zichzelf alleen maar volledig aan haar te geven. Dat hij dit voorstel afslaat verbaast haar. Hij geeft toe dat Kalypso een godin is, in groter en – onvergankelijk – mooier dan zijn vrouw, en bovendien onsterfelijk. Maar toch verlangt hij naar Penelope en zijn thuiskomst. ‘Odysseus answer,’ schrijft Carson,

sets up a calculus. He measures the infinite days and infinite pleasures of Kalypso against the single day of his homecoming and the mortal attractions of his wife. The infinite comes up lacking.

Dat Odysseus meer denkt te winnen door naar zijn vrouw terug te keren dan dat een godin hem voor altijd uit alles kan geven, is niet alleen verrassend maar ook intrigerend. Wat kan dat zijn?

Jezelf geheim houden

Carsons antwoord op die vraag heeft alles te maken met de manier waarop Penelope Odysseus verleidt:

What becomes clear in the final stages of the poem … is that these two are a match for each other both in wits and ambiguity. We watch her, throughout six books, seduce him by the simple tactic of never letting him know what she’s thinking. She dangles herself, dangles the prospect of homecoming, before him in a series of tantalizing interactions – she gives him clothing, a meal, a bath, a bed in the courtyard and several deep conversations – without ever letting on if she’s recognized him or not. Scholars still disagree on where exactly in the poem she does decide that Odysseus is Odysseus and she should welcome him home. Penelope’s power is the power of a meaning withheld.

Wat er verleidelijk is aan Penelope is dat wat er verleidelijk is aan de vrucht voor Eva en aan een vraag of probleem voor Socrates: het geheim. Odysseus wordt opnieuw verliefd op zijn vrouw omdat ze zo ongekend voor hem blijft terwijl ze hem met haar daden een verhaal vertelt dat op zoveel zou kunnen wijzen. Ze geeft hem de ruimte om te speculeren.

Odysseus maakt een afweging tussen “voor altijd alles” en het onbekende. Het onbekende is op een bepaalde manier rijker aan mogelijkheden, het bevat misschien meer. Odysseus weegt zekerheid af tegen een kans op winst, en het is dat kansje, dat het onbekende zo aantrekkelijk maakt, dat zijn sterfelijke vrouw verheft boven een godin. Hij slaat Gabriëls raadt in de wind en zet alles op het spel voor méér.

Letterlijk alles wordt saai als het voorspelbaar wordt.

Kalypso’s weelde verveelt Odysseus al vanaf de tweede week, schrijft Carson. Letterlijk alles wordt saai als het voorspelbaar wordt. Eeuwig plezier is in die voorspelbaarheid begrijpelijk geworden, volledig te bevatten. Het holt Odysseus’ verlangens uit door ze ogenblikkelijk te vervullen. Giorgio Agamben schrijft in een kort stuk over verlangen dat de Messias als hij terugkeert van onze vervulde verlangens de hel zal bouwen. “Alles” is niet sexy; het is ondragelijk vervelend.

In een ander chapbook behandelt Carson zulke vervullensverveling in de context van Marcel Proust: The Albertine Workout (2014). De hoofdpersoon van Prousts romancyclus, die Carson voor het gemak Marcel noemt, weet het meisje waar hij naar verlangt eindelijk de zijne als hij haar opsluit in zijn huis. Daarmee maakt hij het zichzelf echter zo goed als onmogelijk om nog naar haar, Albertine, te verlangen, schrijft Carson:

Once Albertine has been imprisoned by Marcel in his house, his feelings change. It was her freedom that first attracted him, the way the wind billowed in her garments.

En ook die uitkomst was voorspelbaar ‘given Marcel’s theory of desire’

which equates possession of another person with erasure of the otherness of her mind, while at the same time positing otherness as what makes another person desirable.

Albertine verandert in wat Marcel een “zware slaaf” noemt. Ze behoudt volgens Carson slechts vier manieren waarop ze kan voorkomen dat ze volledig wordt gekend en daarmee bezeten – waarop ze een geheim kan blijven bewaren. Door te slapen, te liegen, door lesbisch te zijn en door dood te gaan, houdt Albertine altijd iets over dat Marcel nog niet kent en waardoor ze, enigszins, verleidelijk blijft. De tragiek daarvan is dat dit tegelijkertijd de laatste vier manieren zijn waarop haar zelf van haar blijft.

Voor zover je een andere, onbekende blijft, blijft je ook van jezelf, hou je een zelf dat alleen van jou is. In Eros, the Bittersweet schrijft Carson dat wie verlangt zijn of haar zelf tegenkomt als de grens waar hij of zij voorbij wil reiken naar de ander: ‘Reaching for an object that proves to be outside and beyond himself, the lover is provoked to notice that self and its limits.’ De verlangde, de verleider ontdekt de grenzen van het zelf juist door zich achter die grenzen terug te trekken. Verleidelijk zijn is jezelf blijven. Zo blijf je een ander voor wie er naar je verlangt. Penelope en Odysseus houden elkaars interesse vast door precies ongekend genoeg te blijven voor elkaar. Albertine kan tegelijk alleen aan Marcels verlangende invasie ontkomen door die tegelijk te voeden – door iets van haar zelf geheim te houden.

De waarheid is een vrouw

Dat verleiders hun identiteit produceren door zichzelf juist te verhullen, doet denken aan een paar prachtig ambigue zinnen van Derrida over de vrouw. Hij schrijft ze als een duiding bij Nietzsche’s uitspraak dat filosofen niets van vrouwen hebben begrepen als het klopt dat de waarheid een vrouw is. De meeste filosofen benaderen de waarheid, volgens Nietzsche, alsof het een vrouw is die zichzelf heeft verhuld in een dans van sluiers. Waar die filosofen de waarheid achter die sluiers zoeken, als iets om te ontdekken, overwegen Derrida en Nietzsche die verhulling zelf als de waarheid te denken. Dat betekent niet dat er niets meer waar kan zijn. Wat het betekent om waar te zijn verandert in iets heel anders.

In die context schrijft Derrida dit:

als de vrouw waarheid is, weet zij dat er geen waarheid is, dat de waarheid niet plaatsvindt en dat men de waarheid niet bezit. Zij is vrouw in zoverre zij niet gelooft aan de waarheid, dus aan datgene wat zij is, aan datgene wat men gelooft dat zij is, en wat zij dus niet is.

De sluiers, het verhullen, maken het mogelijk om een waarheid voorbij de sluier te vermoeden. Die daar wacht om door een slimme filosoof ontdekt te worden. Als er echter niet meer dan de sluier is, dan de verhulling, is een vrouw slechts waar voor zover ze niet geloofd in zo’n waarheid, die ze desalniettemin – al sluierend – moet plegen te zijn tegenover de filosofen.

Er is iets vreemds aan de suggestie dat je jouw identiteit juist produceert door jezelf te verhullen, en daaraan raakt Derrida in dit complexe waarheidsdiscours. Wat blijft er nog over als de vrouw niets verbergt achter haar sluiers? Is er dus geen waarheid, alleen zaken die waar lijken te zijn zolang je niet verder kijkt? We denken doorgaans over identiteit – ons ware, eigenlijke zelf – na als iets dat we juist aan een ander moeten (en willen) onthullen. Je identiteit wordt juist bevestigt wanneer anderen je echt leren kennen, voorbij hoe je je dagelijks gedraagt – dat is het idee. Doe je jezelf niet juist voor als een ander, als meer dan je eigenlijk bent, door zo geheimzinnig te doen als Penelope? Haar gedrag heeft iets weg van een performance, een toneelspel, dat Odysseus meer moet doen geloven dan er eigenlijk is.

Albertine’s individualiteit lijkt echter te verdwijnen voor zover Marcel haar leert kennen. Voor zover hij haar identiteit (letterlijk) vastlegt, verandert ze in een “zware slaaf”, een log ding. Haar individualiteit blijkt vooral voort te komen uit haar potentie. Wie we zijn heeft voor een groot deel te maken met wat we nog zouden kunnen worden (daarover schreef ik hier al eerder in de context van de poëzie van Lieke Marsman). In plaats van die op te vatten als een soort leugen of misleiding, kunnen we de verhullende, geheimzinnige beweging van de verleider dus ook opvatten als een manier om potentieel te zijn. Penelope brengt zichzelf onder de aandacht als wie ze allemaal nog kan zijn. Daarmee maakt ze van zichzelf een onbekende, ook, want God weet wie ze daadwerkelijk zal worden.

De geheimzinnigheid van de verleider is geen leugen of misleiding. Het is waar dat Penelope nog veel meer kan blijken te zijn. De enige manier om de waarheid te spreken over potentie is met suggestie en ambiguïteit. De grens waarachter de verleider zich terugtrekt, is een grijs gebied, waar nog geen duidelijke grens getrokken is. Dat iemand zichzelf ook kan verbergen door zich schijnbaar volledig ten toon te spreiden, bespreekt Carson in misschien wel het interessantste gedeelte van Contempts: dat over Brigitte Bardot.

Meer dan we ooit kunnen verlangen

Carsons chapbook gaat niet alleen over de Odyssee maar ook over Alberto Moravia’s roman Il Disprzzo (1954) en Jean-Luc Godards film Le Mépris (1963). Beide titels kunnen worden vertaald met “minachting” of “misprijzen”. Dat is precies wat de hoofdpersoon Riccardo doet. Alles is hem te min, de opdracht die hij krijgt om de Odyssee te adapteren voor het witte doek tot aan zijn vrouw Emilia aan toe. Waar Moravia er echter voor zorgt, volgens Carson, om Emilia volkomen oninteressant te doen overkomen, geeft Brigitte Bardot dit karakter in Godards verfilming ‘a depth, an individuality, a flesh that it doesn’t ever achieve in the book.’

Ze kan zich alleen nog aan ons geven.

Carson noemt de manieren waarop Albertine zichzelf kan verbergen ‘four ways Albertine is able to avoid becoming entirely possessable’. Bezit is onderdeel van de handelseconomie die Odysseus zou moeten ontstijgen. Bezit heeft een concrete prijs, die een geïnteresseerde kan betalen om het zich toe te eigenen. Albertine poogt juist om onbezitbaar te blijven – ongrijpbaar, onzichtbaar. Bardots Emilia lijkt zichzelf meteen in de eerste scène van Le Mépris echter totaal in de uitverkoop te doen. Carson beschrijft de scène als volgt:

It shows a naked Bardot lying on a bed with a man beside her. They are talking. She is asking him if he likes her body. She itemizes every body part. “Do you like my toes? Do you like my knees? Do you like my ass?” she asks. “Which do you like better, my right toes or my left toes? My right knee or my left knee? My breasts or my nipples?” Meanwhile the camera roves around her body, dwelling most lengthily on her backside. The man answers each of her questions solemnly and finally says, “I love you totally tenderly, tragically.” To which Bardot, with majestic ambiguity, replies, “Moi aussi” and the scene ends.

Ergens in deze veiling verdwijnt Bardot. Ze wordt wat Carson noemt ‘something exorbitant, as a secret must be. As a gift must be. We could never afford her.’ Door zichzelf zo volledig te exposeren, elk verlangde deel van zichzelf te tonen, wordt ze meer dan we ooit kunnen verlangen – en onbetaalbaar. Haar expliciet volledig te verlangen lichaam wordt teveel om ooit te bezitten. Ze zou zich alleen nog aan ons kunnen geven.

Bardot is een Penelope die zichzelf achterhoudt door wie haar verlangt te doen geloven dat zij het niet kunnen bezitten maar alleen kunnen ontvangen voor zover Bardot het geeft.

Wie gelukkig wil verleiden

Erotisch verlangen wil het onmogelijke, zoals Carson al schrijft in Eros, the Bittersweet: een te worden, het verschil tussen jou en mij overbruggen. Of in agressievere termen: om de ander volledig te bezitten. En zoals denken verschillende dingen onder eenzelfde noemer vat zonder hun verschil te annihileren, zo verbindt een verhaal twee geliefden en laat tegelijk ruimte om de ander te verlangen. Dat is, tenminste, de ideale situatie. Prousts Marcel is echter een goed voorbeeld van hoe zelfs de illusie van bezit een verlangen uitholt.

Wie wil worden verlangd – voor geliefden betekent dat toch het antwoord op hun eigen verlangen – staat niet machteloos. Verleidelijk blijven doen we door het verschil in stand te houden dat verlangen juist wil opheffen: dat de ander een ander is. Als die ander is het aan de verleiders om dus juist een zelf te behouden. Het betekent concreet dat de verleider zich niet overgeeft aan het verhaal dat over hem of haar wordt verteld. De verlangde maakt het juist onmogelijk om hem of haar in een narratief te passen door ambiguïteit, onbevattelijkheid en onbekendheid. De verleider belooft altijd nog meer.

Verlangen maakt niet per se gelukkig, noch verleiden. Tot zover heeft de engel Gabriël gelijk. Maar wie voordat hij in het hemels paradijs is gelukkig wil verleiden, mag die kunst afkijken bij Penelope en Brigitte Bardot. Het gaat niet om daadwerkelijke kennis van goed en kwaadof om werkelijk meer dan een godin kan geven; verleidelijker is de kans daarop.

FloatAnne Carson
Float
(New York: Albert A. Knopf 2016)

De website van Albert A. Knopf

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *