Bespreking

‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’ – Hoe liefde vergaat in Charlotte van den Broecks Nachtroer

Piet Mondriaan - Compositie met rood, geel en blauw (1942)
Piet Mondriaan - Compositie met rood, geel en blauw (1942)

In haar essay Twee gaten (Gids #6, 2016) noemt Lieke Marsman het gedeelde bed ‘de plek bij uitstek waar ons symbiotische liefdesideaal werkelijkheid wordt’. Dat bed is tegelijk de plek waar duidelijk wordt dat zo’n verlangen naar eenwording niet volledige vervuld kan worden, want ‘zodra de dag aanbreekt gaat ieder zijns weegs.’ Wat onder de lakens een en hetzelfde zou kunnen zijn, dat Shakespeareaanse beest met de twee ruggen, splits ’s ochtends weer op in twee afzonderlijke personen.

Charlotte van den Broecks plaatst haar tweede bundel Nachtroer (2017) in de lijn van gedachten als die van Marsman als ze die in Opiums radioprogramma afzet tegen haar eersteling Kameleon (2015): ‘In de eerste bundel was het een zoektocht naar symbiose, met het eigen lichaam, met andere lichamen. Dat was heel hoopvol. En nu is die symbiose toch wel gefaald in de tweede bundel.’ Dit wordt al duidelijk in het eerste gedicht van de openingsafdeling, waarin niet alleen het bed, maar heel het huis wordt verdeeld tussen scheidende geliefden ‘in bananendozen en bezittelijk voornaamwoorden / de boekenkast in links en rechts’.

Zo begint de reconstructie van een ontbonden relatie.

Wat daarna is gekomen

In het eerdergenoemde interview vertelt Van den Broeck dat de eerste afdeling van haar nieuwe bundel zijn aanleiding vond in haar eigen relatie. Na acht jaar samen te zijn geweest met haar jeugdliefde, ging het uit. Daarom bevat de eerste afdeling, ‘Acht, ∞’, acht gedichten van elk twaalf regels. De rest van de bundel, onder de noemer, ‘Nachtroer’, leest voor een groot deel als de exegese van de motieven en problemen die ze in die eerste tegenkomt. Nachtroer, dat wat zich roert in de nacht, zoals je woelt, piekert en analyseert in een bed dat weer helemaal en alleen van jou is. ‘Where will the sun be when the sky is black? / You will have all night to ponder about that,’ zingt folkzanger Daniel Norgren in een van de motto’s van de bundel.

Van den Broeck begint bij het einde, die verdeling van de eigendommen. Het eerste gedicht van ‘Acht, ∞’ is genummerd met het cijfer VIII, en zo telt de dichter af naar het begin. Hier aan het einde leert ze ‘dat rouw begint bij het stoten van de elleboog / en doortrekt tot in de vingertoppen / om nieuwe aanrakingen vooraf al te verdoven’. In eerste instantie gaan die regels over wat er na de breuk te wachten staat, ‘nu de avond het licht en ons de adem afknelt’, maar voor ons lezers volgt niet de toekomst maar het verleden. Alles wat geweest is, definitief voorbij nu, moet voor ons nog komen. Van den Broeck vertelt in datzelfde interview met Opium dat zij het zo ook heeft geschreven: ‘Vanuit het verdriet, van het einde, probeer ik terug te gaan naar het geluk, maar die herinnering blijkt dan bezoedelt door alles wat daarna is gekomen.’

Nu de relatie er een gefaalde is geworden, staan ook de momenten van geluk in het teken van die mislukking.

Dat risico op een vergissing

Het andere motto van Nachtroer is van de filosoof Emmanuel Levinas, uit zijn boek Totalité et infinité. Het komt uit het eerste deel van het boek, uit de paragraaf over de waarheid. In het geciteerde lezen we dat Levinas ‘het ik, de scheiding’ juist in zijn afzondering van alles ziet als ‘de ambivalente mogelijkheid van dwaling en van waarheid’. Dat is best complex, en het voert te ver om hier een degelijke samenvatting te geven van Levinas’ argument, maar het mag wel duidelijk worden wat Van den Broeck hiermee zegt over een relatie.

Een band is geen gegeven, het is iets nieuws.

Als Levinas stelt dat de scheiding, het onderscheid, tussen bijvoorbeeld twee geliefden juist de mogelijkheid biedt voor een waarheid – of een dwaling – denkt hij daarbij juist aan relaties en verbindingen. ‘Waarheid zoeken en verkrijgen,’ schrijft Levinas ergens anders in dezelfde paragraaf, ‘betekent in betrekking staan’. Ik moet me op een bepaalde manier gaan verhouden, zal al ontdekkend de ander moeten leren kennen, juist omdat hij of zij buiten mij staat. Omdat ik me ook in je kan vergissen, omdat ik je verkeerd kan begrijpen, is er in zo’n relatie de mogelijkheid van een waarheid, van begrip en kennis. Zo stelt Levinas ook: ‘Zonder scheiding zou er geen sprake geweest zijn van waarheid, zou er slechts sprake geweest zijn van zijn.’ Een band is geen gegeven, het is iets nieuws, een betrekking op iemand buiten jezelf.

In het tweede gedicht van ‘Acht, ∞’ schrijft Van den Broeck over de uiterste consequentie van die mogelijkheid op waarheid, dat wil zeggen, dat risico op een vergissing:

iets in het vlees, uren na het schot nog, zal pulseren
tot ook dat op is, herinnering aan een hartslag
welk dier hielden we ons voor te willen raken?
we jaagden altijd al op elkaar in onszelf

Met dat ‘schot’ thematiseert Van den Broeck die enorm dubbele problematiek van de scheiding: een schot is een kogel en een wand. Het verschil tussen de twee geliefden, die fundamentele begrenzing die hen uit elkaar houdt, is tegelijk de mogelijkheidsvoorwaarde voor een relatie en het risico op een mislukking. Meer nog, de geliefden gaan aan hun doel, aan elkaar, voorbij door binnen hun grenzen te blijven: ‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’.

In plaats van de ander als een ander te benaderen, als iets vreemds en onbekends, zijn de geliefden bij zichzelf gebleven, bij het bekende en het overzichtelijke:

in je oksel een bres voor bedenktijd, waar ik de holte vond
waarin mijn hele onvermogen kon, toen heb ik het gedaan
van jou en mij met opzet onderdelen uit een modelbouwpakket gemaakt

Met die mecano-metafoor beschrijft Van den Broeck goed de manier waarop we de ander tot onszelf kunnen reduceren, tot de holte waar wij zo perfect in passen.

Gedicht VI beschrijft het moment waarop de ik haar geliefde vergat ‘door de trompetten van de optocht in mij’. Haar lief droop af, ‘verder het diepe in’, en is daar ‘in inkeer uiteengevallen – natuurlijk, in wat anders’. Het is weer een precies gekozen woord, ‘inkeer’, het beschrijft de manier waarop de geliefde zich weer afscheidt, zich in zichzelf terugtrekt, en de spijt waarmee die beweging wordt gemaakt. ‘Zit je daar / jezelf van binnenuit aan scherven te dringen,’ schrijft Van den Broeck in een ander gedicht uit de bundel, ‘Dorst’.

Nu het vanzelfsprekend is geworden

In gedicht V ziet Van den Broeck die reductie tot het bekende terug in een reis door Europa. Daaruit spreekt, retrospectief, niet het avontuur maar alle tekenen van sleur: ‘de verte / herhaalt zich, zoals wij ons jaar na jaar nu, onbedoeld maar halsstarrig herhalen / Wenen wordt onze woonkamer’. In hun herhaling zijn de jaren op elkaar gaan lijken, meer van hetzelfde, bekend, gemakkelijk als een woonkamer, en verstikkend. Letterlijk. De ik slikt ‘muggen in; altijd en later / twee tijdstippen die bij de keel grijpen, nu ze vanzelfsprekend en aangebroken zijn’. De lemniscaat uit de afdelingstitel komt zo symbool voor die oneindige herhaling van het bekende, het romantische ‘voor altijd’ dat alle kracht heeft verloren nu het vanzelfsprekend is geworden. In ‘Lenthe’ schrijft Van den Broeck: ‘de herhaling, ze maakt tam’.

In plaats van te groeien, ontbindt de relatie zich.

Zoals de geliefden elkaar kunnen reduceren tot onderdelen uit een bouwpakket, zo zijn ze onder de invloed van deze sleur ‘meer dan ooit de gietvorm van [hun] geluk’. De geliefden zijn een mal geworden waarin geluk alleen nog maar tot steeds dezelfde vorm gegoten kan worden.

‘[H]oe troosteloos nog,’ schrijft Van den Broeck weer in ‘Dorst’, ‘elke poging die een reeks wordt’.

In gedicht IV beschrijft Van den Broeck hoe de geliefden misschien wel een jaar eerder zelf voor die stilstand hebben gekozen:

we nemen ons een leven voor in de kleuren van Mondriaan
vuurrood de liefde, het water languit, de overdaad van gele bloemen
op de keukentafel, meer niet, een negatiefje van wat werkelijk wordt

De geliefden houden Mondriaans primaire kleuren voor de belangrijkste dingen van hun leven, maar vergeten dat het abstracties zijn. Mondriaan schildert de werkelijkheid niet, hij reduceert die tot absolute, eeuwige, onveranderlijke principes. Het rood, blauw en geel zijn het negatief van wat werkelijk wordt –  wat zich, om binnen de fotografische metafoor te blijven, ontwikkelt.

In plaats van te groeien, ontbindt de relatie zich zoals we hebben gezien tot een situatie waarin de geliefden niets meer met elkaar te maken hebben.

Waarin jonge geliefden zichzelf kwijtraken

Reduceert Van der Broeck haar geliefde in gedicht VII nog tot een holte om in weg te kruipen, in gedicht III holt ze juist zichzelf uit tot de ‘aangeblazen marionet’ van zijn adem. Maar dat eist zijn tol:

het is niet uit te houden, de koude helft, het arendsoog dat in me duikt
op zoek naar een tegendeel, tot je thuiskomt en weer voortduurt in alles

Het tegendeel, dat kan zowel verwijzen naar een tegenwicht, een eigen identiteit tegenover die van de ander, als naar een relativering van de twijfels die misschien opkomen tijdens ‘de koude helft’.

Het is die overgave waarin jonge geliefden zichzelf kwijt kunnen raken – vast herkenbaar. Zo schrijft Van den Broeck in gedicht II over de liefdesbrieven, ‘nachtkastjes vol, wat heeft het bewezen’

een zucht naar betekenis, een bede in klamme taal
laat ons steeds zo: zestien en zeventien en aan elkaar verloren

Maar wie houdt hier nog van wie als beiden zich in het teken van de ander stellen – welke personen blijven er dan over om van te houden? Hebben ze dat dan ooit gedaan? Het is op dit punt wellicht het duidelijkst hoezeer Van den Broeck de relatie beziet in het licht van haar mislukking. Tot nu toe lijkt het wel alsof de geliefden geen moment bij elkaar zijn geweest, alsof ze vanaf het begint al aan elkaar voorbij gingen.

Dat zij het zich, nu, ook verkeerd herinnert

En Van den Broeck is zich bewust van dat probleem. In het laatste gedicht, nummer I, nadert ze ‘een jongen en een meisje die aan vroeger doen denken’:

ik vermoed dat wij het zijn, acht jaar geleden, maar ze lijken zo sterk op onbekenden
dat ik niet naar hen toe loop om te zeggen dat ze het fout onthouden hebben
die dag trokken geen vogels over, geen sneeuw of ijs op het veld, oktober nog
het riet rond de vijver verderop stond halfhoog en dor

Het begin, wie de geliefden ooit moeten zijn geweest, is onherkenbaar geworden. Naderhand ziet Van den Broeck slechts egoïsme, sleur en verlies – zozeer zelfs dat dit prilste begin bijna niet geregistreerd kan worden. Sterker nog, dat idee alleen al, dat Van den Broek op haar jongere zelf zou afstappen om haar te vertellen dat ze verkeerd heeft onthouden wat ze op dat moment nog aan het beleven is, maakt pijnlijk duidelijk wat het probleem is van terugkijken.

Maar Van den Broeck laat het na, ze laat wie daar ook ligt verliefd liggen. De onherkenbaarheid van het tafereel is als het ware een silhouet van wat het moet zijn geweest. Zoals ze nu kijkt, kan ze er niet meer van zien dan een schaduw. Maar dat is genoeg om te weten dat zij het zich, nu, ook verkeerd herinnert. In ‘Hematoom’ beschrijft Van den Broeck dit fenomeen als de ‘platgeslagen littekens’ die muggen op de muren vormen, ‘bewijsmateriaal / dat je hier was en dat ik het ooit moet hebben geweten / datgene wat het verschil maakt tussen schok en streling’. Het is er niet meer, uit dat spoor dat die vlekken op de muur vormen, is tenminste nog leesbaar dat ze het kwijt is geraakt. Of neem deze regels uit ‘Roofbouw’: ‘hoe weinig’

verschilt een schaduw van een gesloten oog
van een schroeivlek, het beeld van ons

al tot op de vezel opgebrand, maar nog lang
en in al het later zal ik het voor me zien

Charlotte van den Broeck
Nachtroer
(Amsterdam: De Arbeiderspers, 2017)

De website van De Arbeiderspers

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Een gedachte over “‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’ – Hoe liefde vergaat in Charlotte van den Broecks Nachtroer”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *