Bespreking

Over doden, auteurschap, vertalen, vrijheid en de Bibliotheek

Detail uit 'Sonnenblumen' (1911) van Egon Schiele
Detail uit 'Sonnenblumen' (1911) van Egon Schiele

In ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014) nam Wim Brands een aantal gedichten op die geschreven waren ‘vrij naar’ andere dichters. Het geval wilde dat ik één ervan herkende, dat wil zeggen, werkelijk herkende, herkende als een ander gedicht, het gedicht waarnaar het geschreven zou zijn. Ik leek het simpelweg voor het eerst ‘in het Nederlands’ te lezen. Initieel maakte ik me daar ietwat kwaad over – waarom zou je zeggen dat je iets ‘vrij’ naar een andere dichter schreef, als wat je ervan gemaakt hebt ook door zou kunnen gaan voor een vertaling? Gevoelsmatig vond daarmee een bepaald soort toe-eigenen plaats, een bepaalde transgressie.

Inmiddels is mijn reactie omgeslagen in een vraag, en wil ik een poging doen beter na te denken over wat daar gebeurt. Een poging misschien méér te lezen in wat dat ‘vrij naar’ zou kunnen betekenen. Het zou ook, bedacht ik me bijvoorbeeld, een poging kunnen zijn niet te beweren dat het je gelukt is iets te vertalen, een poging om afstand tot het origineel te houden. Niet om het origineel weg te duwen, maar om wat je daar zelf van maakte er niet aan gelijk te stellen.

Hoe het ook zij: er bestaan nu twee gedichten die in een vreemde verhouding tot elkaar staan, elkaar erg nabij maar op een nadrukkelijk geschapen afstand. Wat brengt dat aan het licht?

Verschillen

Dit is het gedicht van Brands:

Mijn moeder verbood ons achteruit te lopen.
Zo lopen de doden, zei ze. Waarom dacht
ze dit?

Misschien was een slechte vertaling
de oorzaak. De doden lopen tenslotte
niet achteruit, maar wel achter ons.

Ze hebben geen longen en kunnen
daarom niet roepen. Wat zouden ze
er niet voor overhebben

als wij ons omdraaiden?
Ze zijn slachtoffers van de liefde,
velen van hen.

(Vrij naar Anne Carson)

En dit is het gedicht van Anne Carson, uit haar debuutbundel Short Talks:

Short Talk On Walking Backwards

My mother forbad us to walk backwards. That is how the dead walk, she would say. Where did she get this idea? Perhaps from a bad translation. The dead, after all, do not walk backwards but they do walk behind us. They have no lungs and cannot call out but would love for us to turn around. They are victims of love, many of them.

Waar het ‘vrij naar’ in elk geval voor zorgt – althans bij mij – is dat je meteen gaat zoeken naar verschillen. Als de ene tekst vrij is, als die zich niet heeft willen laten beperken, valt te verwachten dat het specifieke beperkingen links heeft laten liggen.

Het meest opvallend is misschien hoe ‘[they] would love for us to turn around’ wordt overgezet in een vraagvorm, ‘Wat zouden ze / er niet voor overhebben // als wij ons omdraaiden?’ Dat lijkt echter niet zozeer een door vrijheid genomen ruimte, als wel een door taalverschil opgelegde afstand. Hoe zou je ‘would love for us to’ directer kunnen vertalen? Het is ietwat idiomatisch.

Het opzoeken en opsommen van zulke verschillen lijkt de plank alleen volledig mis te slaan.

Andere verschillen zijn kleiner. Het ‘she would say’ wordt ‘zei ze’, in plaats van iets als ‘zei ze dan’. En ‘Perhaps from a bad translation’ wordt juist verlengd tot een formulering met ‘oorzaak’.

Het opzoeken en opsommen van zulke verschillen lijkt de plank alleen volledig mis te slaan. Het benadrukt enkel keer op keer dat het Nederlands en het Engels verschillen, en daar hebben we Brands’ gedicht niet voor nodig. Het probeert auteurschap te kwantificeren. Daarnaast blijft het feit bestaan dat, ongeacht al die verschillen, ik Brands’ gedicht geen slechte vertaling gevonden had als hij het zo had gepresenteerd.

Auteurschap en afkomst

Misschien moeten we een stap terug doen. (Misschien moeten we, ondanks moeders verbod, achteruit lopen.) Is de keuze om iets ‘vrij naar’ een andere dichter te schrijven, immers geen keuze die je vooraf doet? Voordat je weet waar en hoe je af gaat wijken, op welke manier je door het voorbeeld bepaalt zult worden. In dat geval zou die vrijheid iets zijn wat je niet zonder meer in het resultaat terug hoeft kunnen vinden: het is voor te stellen dat je ‘vrij naar’ een eerdere dichter hetzelfde gedicht kopieert. (Als dat onmogelijk is, is ‘vrij naar’ een andere dichter niet daadwerkelijk een vorm van vrijheid, maar een vorm van beperking: een beperking in de mate waarin je dichtbij mag blijven.)

Daarmee wordt de vraag hoe deze gedichten verschillen een wezenlijk andere. Als we de mogelijkheid openhouden dat een vrij gedicht ook vrij is in hoe dichtbij het bij zijn voorbeeld blijft, schuift de vraag van het verschil op in de richting van de vraag naar de auteur, naar auteurschap. Misschien vallen die vragen zelfs samen.

Maar op welke manier blijft de auteur dan nog wel in het gedicht achter, als hij of zij op een bepaalde manier het schrijven toch nog ‘overleeft’?

Waren we al dat soort overwegingen niet kwijtgeraakt door de auteur eindelijk dood te verklaren? Nee – de dood van de auteur heeft te maken met duiding, met het niet bevoorrechten van de lezing van iemand die een tekst geschreven heeft boven de lezingen van andere lezers, wanneer het gaat om wat een tekst zou betekenen. Dat heeft ermee te maken dat een auteur in zijn of haar taal geboren wordt: taal is geen instrument waarmee je vervolgens gedichten zou kunnen maken, out of the blue, alsof je als dichter ooit voor een leeg canvas staat. Het is eerder zo dat de dichter gedichten in de taal aanbrengt, of een gedicht vanuit de taal samenbrengt, de taal op een bepaalde manier intensiveert tot een punt dat het gedicht genoemd wordt.

Ik bedoel dit: we kunnen de auteur niet lezen als oorsprong van het gedicht. Zo’n idee van auteurschap valt terug op een idee van originaliteit, van iemand die het als eerste zei, dat uiteindelijk steunt op een instrumentalistisch idee van taal dat volgens mij niet houdbaar is.

Maar op welke manier blijft de auteur dan nog wel in het gedicht achter, als hij of zij op een bepaalde manier het schrijven toch nog ‘overleeft’?

Hoe is iemand auteur van een tekst? Door omgeven te worden door een omslag waar een naam op staat? Door een literair veld waarbinnen verwijzingen naar bepaalde teksten als ‘van’ een bepaalde auteur vermenigvuldigd worden? (Door onder je tekst op te nemen dat die ‘vrij naar’ iemand anders geschreven is, en dus niet (meer) van die ander is?)

Hoe kunnen we in ons lezen rekenschap afleggen van het simpele, empirische feit dat iemand dit schreef, dat het gedicht, bij gebrek aan oorsprong en maker, desalniettemin een afkomst heeft – een geschiedenis?

Het historische ogenblik

Ik merk dat ik in het denken over auteurschap vaak terugval op het lezen van het werk van Maarten van der Graaff – waarin de vraag van en naar auteurschap misschien het nadrukkelijkst gethematiseerd wordt. Met een beetje goede wil begint dat al in het openingsgedicht van zijn debuut, uit de eerste afdeling (de real-time autobiografie), wat afsluit met de regel ‘ontsnappen is sexy’. Ontsnappen is aantrekkelijk, en met de titel van de bundel in ons achterhoofd is vluchten aantrekkelijk. Vluchten waarvan? In de afdeling ‘Vrije encyclopedie’ lezen we: ‘Een real-time autobiografie / zou mij ontslaan van deze al te historische obsessies / die overtuigingen worden genoemd.’

Over het historische schrijft Van der Graaff in de reeks gedichten in Het liegend konijn van najaar 2016 ook:

er zijn vrienden en mensen
die ik nog niet teleurgesteld heb

ooit vormden ze een commune
voor een dag
dezelfde historische dag als gisteren
waarop ze ontzet
en van elkaar bevrijd werden

ze kregen nog een leven
neo-logismen voor een nieuwe tijd
ze hebben geen werk maar toch
vergaderen ze

Een real-time autobiografie zou ons van de geschiedenis ontdoen omdat de tekst mee zou leven met het leven waarvan het getuigt. Niet: dat waarover het vertelt. Autobiografisch schrijven valt volgens mij sowieso niet meer te denken als een vormen van tekst die een leven proberen te representeren, die het leven tot ‘onderwerp’ nemen alsof het een hanteerbaar voorwerp zou zijn – is niet het hele kenmerk van de autobiografie dat er vanuit dat leven zelf verteld wordt? Een real-time autobiografie zou vervolgens simpelweg een tekst zonder verdere afkomst, zonder geschiedenis zijn: en precies daarom zou het de spreker ontdoen van historische obsessies. Het is een tekst zonder restant. ‘Ik droom van een real time autobiografie: / van minuut tot minuut zou er niets / van mij overblijven.’ De real-time autobiografie is het ideaal van de ahistorische, tijdloze tekst. De tekst die ontsnappen zou, die ons zou helpen te vluchten van het feit dat we de hele tijd een geschiedenis meeslepen en vormen, omdat hij niets hoeft mee te nemen van wat al is vergaan.

Ik ben gefascineerd door die regel, ‘dezelfde historische dag als gisteren’, waarop de commune gevormd werd en waarop de mensen van de commune van elkaar bevrijd werden, en ik moet denken aan Kafka’s zesde Zürauspreuk:

Der entscheidende Augenblick der menschlichen Entwicklung ist immerwährend. Darum sind die revolutionären geistigen Bewegungen, welche alles Frühere für nichtig erklären, im Recht, denn es ist noch nichts geschehen.

[Het beslissende ogenblik van de menselijke ontwikkeling is eeuwigdurend. Daarom hebben revolutionaire intellectuele stromingen gelijk, wanneer ze al het vroegere nietig verklaren, want er is nog niets geschiedt.]

Het beslissende ogenblik is immerwährend – eeuwigdurend, waarbij we dat durend goed moeten lezen. Währen is verwant aan waren, het verleden meervoud van ‘zijn’. Immerwährend is niet zomaar een stip, iets anders dan ‘altijd’ – wat während benadrukt een ‘blijven’ van datgene wat ‘is’. De commune kwam samen voor één dag, dezelfde historische dag als gisteren. Kafka drijft iets op de spits als hij de menselijke ontwikkeling tot een eeuwigwarend beslissend ogenblik samenperst.

Hoe werkt die verleden tijd?

Denn es ist noch nichts geschehen. Niet omdat er niets gebeurt, maar omdat er nooit, definitief, iets gebeurd is. Wat gebeurt kan enkel overleven als een duren, als währen, de geschiedenis overleeft alleen als het be-waard wordt. ‘Ik geloof in de dood’, schrijft Van der Graaff in de ‘Lijst met jou’ in Dood werk, ‘en dat wij het persoonlijke / opnieuw moeten belichamen / met ons dode vlees. // Nu ik dit aan jou verteld heb / is er geen weg terug.’ In de vijfde Zürauspreuk schrijft Kafka: ‘Von einem gewissen Punkt an gibt es keine Rückkehr mehr. Dieser Punkt ist zu erreichen.’ [Vanaf een zeker punt bestaat er geen terugkeer meer. Dit punt moet/kan bereikt worden.]

Niet achteruit lopen, zo lopen de doden. Vanaf een bepaald punt kun je niet meer terug: vanaf het historische ogenblik, het ogenblik waarin jullie waren. Waarin je dus nooit bent, nooit nu. Hoe werkt die verleden tijd?

De vluchtauto van Babel

In het vierde deel van de ‘Vrije encyclopedie’ lezen we ook dit:

Ik verwachtte altijd dat de bibliothecaresse zou zeggen:
‘jij hebt een goede smaak jongeman’.
Rotterdam is niet cameragevoelig, zei ik tegen mijn oma
die in Zuid woonde, drie hoog,
maar ze keek naar een land vol wind en gruis op het scherm.

De bibliotheek weerhield mij van zelfmoord.
De bibliotheek weerhield mij van zelfmoord.

De bibliotheek weerhield mij van zelfmoord.

De bibliotheek weerhield mij van zelfmoord.
De bibliotheek weerhield mij van zelfmoord.
De bibliotheek weerhield mij van zelfmoord.

Ik schreef eerder over de onmogelijkheid herhaalde regels te citeren, in een stuk over Luceberts ‘De zeer oude zingt’: je kunt de regels enkel samen citeren om ze specifieker te maken, wat bij Van der Graaff nog een stap verder gaat dan Lucebert. Bij Van der Graaff moet je de regel drie keer herhalen wil je een specifieke passage van het gedicht citeren: de bovenste twee strofen zijn op een bepaalde manier minder direct aan te halen. De losse regel kun je alleen herhaald citeren, citeren als iets dat in het gedicht al herhaald wordt. Dat wil ook zeggen: de enkele regel weet, op een bepaalde manier, aan het gedicht te ontsnappen: het is er op een bepaalde manier niet meer op terug te voeren, wanneer je hem nog een keer uit zou spreken, omdat hij geen specifieke plaats heeft in het gedicht.

Ontsnappen is sexy: we hebben iets nodig waardoor we de vlucht kunnen verlangen, iets dat ons verlangen zou kunnen concentreren.

Laat ik op precies dit punt van de lezing dan ook zelf een bepaalde vrijheid nemen: de bibliotheek uit de regel te lezen als die van Borges, zijn ‘bibliotheek van Babel’, waarin alle mogelijke boeken opgenomen zijn. Daarmee ontstaat de mogelijkheid voor een vreemdere, specifieke lezing: de bibliotheek weerhield ‘mij’ van zelfmoord, omdat de sprekende zelf, die een geschreven zelf is, altijd al doodgeboren is, altijd al dood geschreven is, altijd al opgenomen in de bibliotheek en volledig uitgewerkt – je zou het nooit precies meer zelf kunnen zijn die jou doodt, dat is altijd al gebeurd. We moeten het persoonlijke altijd al opnieuw belichamen met ons dode vlees.

Ook de bibliotheek van Babel wankelt op zijn herhalingen. Hij bestaat uit zeshoekige kamers, verbonden door hallen met trappen, toiletten en slaapplaatsen, elke kamer is gelijk en, op de boeken die er staan na, herhalend.

In de hal is een spiegel, die getrouw de werkelijkheid verdubbelt. De mensen leiden gewoonlijk uit die spiegel af dat de Bibliotheek niet oneindig is (als zij dat werkelijk was, waartoe dan die bedrieglijke verdubbeling?); ik geef er de voorkeur aan te dromen dat de gepolijste oppervlakten het oneindige voorstellen en beloven…

Ontsnappen is sexy: we hebben iets nodig waardoor we de vlucht kunnen verlangen, iets dat ons verlangen zou kunnen concentreren. De spiegel geeft de mogelijkheid de oneindigheid voor te stellen als iets dat binnen handbereik ligt, iets dat je bijna aan zou kunnen raken, zou kunnen voelen. De klassieke uitspraak is dat de bibliotheek een bol is, ‘waarvan het juiste middelpunt een willekeurige zeshoek is, en waarvan de omtrek onbereikbaar is’, maar de verteller van Borges verhaal beweert ‘dat de Bibliotheek eindeloos is.’ Eindeloosheid is een voorwaarde voor verlangen; een einde dat bereikt zou worden betekent de vervulling, maar dus evengoed opheffing van alles wat we willen kunnen.

Er wordt verteld dat de Bibliotheek ‘ab aeterno’ bestaat, vanuit een oneindig ver punt in het verleden, vanuit het historische ogenblik waarin wij ons opnieuw zouden moeten bevinden willen we het persoonlijke kunnen belichamen.

‘Een ander [boek] (dat in deze zone veel geraadpleegd wordt) is niets anders dan een labyrint van letters, maar de een na laatste pagina zegt O tijd jouw piramiden. Nu weet men: om der wille van één redelijke regel of een korte mededeling zijn er mijlen van dwaze wanklanken, bij-elkaar-geraapte woorden en incoherenties.’

Een bibliothecaris stelde een fundamentele wet van de Bibliotheek vast; namelijk dat er geen twee gelijke boeken in de bibliotheek staat, en dat verder elke mogelijke combinatie van talige symbolen ergens op een boekenplank te vinden zijn.

Alles: de minutieuze geschiedenis van de toekomst, de autobiografieën van de aartsengelen, de waarheidsgetrouwe catalogus van de Bibliotheek, duizenden en duizenden valse catalogi, de bewijsvoering van de valsheid van die catalogi, het bewijs van de valsheid van de echte catalogus, […] het waarachtige verslag van jouw dood[.]

Later, in een voetnoot, en nog verder:

Ik herhaal: het is voldoende dat een boek mogelijk is, wil het bestaan. Alleen het onmogelijke is uitgesloten.

Niemand kan een lettergreep uitspreken die niet vol is van tedere gevoelens en van angsten; die niet in een van die talen de machtige naam van een god is. Spreken is in nodeloze herhalingen vervallen.

Op de laatste bladzijde blijkt dat de verteller een ietwat afwijkende opvatting heeft. Het aantal boeken is eindig, maar de bibliotheek niet: ‘De Bibliotheek is onbegrensd en zichzelf herhalend. Als een eeuwige reiziger hem zou doorkruisen in welke richting ook, zou hij aan het eind van de eeuwen constateren dat dezelfde boeken zich herhalen in dezelfde wanorde (wat, vanwege de herhaling, een orde zou zijn: de Orde). Mijn eenzaamheid verheugt zich over die elegante verwachting.’

Je verheugen op de orde van herhaling, de orde die niets anders is dan die herhaling. Herhaling als de mogelijkheid op ontsnapping, herhaling als sex appeal. Het hoeft niet eens exacte herhaling te zijn; ergens merkt de verteller op dat men ooit boeken begon te vernietigen, maar dat dit niet zoveel uitmaakt, omdat er een immense hoeveelheid boeken is dat maar één teken afwijkt van de nu ontbrekende ‘originelen’, waarmee je het origineel prima kunt reconstrueren.

Het verlangen van de auteur

Misschien is de auteur te lezen als zo’n mogelijkheid tot ontsnapping: de auteur kan (en moet) telkens weer herhaald worden. Er is een verlangen van de auteur, in beide zinnen. Het verlangen van de auteur zelf, naar behoud, be-waring in zijn werk – een verlangen te ontsnapping naar zijn ‘real time autobiografie’. Daarnaast het verlangen naar de auteur, een verlangen van de lezer de auteur in zijn werk ‘terug’ te vinden, alsof het zou gaan om een ‘real time autobiografie’ waarin de schrijver nog steeds levend aanwezig is.

Laat ik terugkeren naar waarover ik het in feite wilde hebben, het gedicht van Wim Brands. En in feite naar dat eerste verschil, dat ik opmerkte, de verandering van ‘They … would love for us to turn around’ naar ‘Wat zouden ze er niet voor overhebben als wij ons omdraaiden?’

Carsons gedicht wandelt als een dode achter dat van Brands aan, en heeft geen longen, en kan niet roepen.

Die vraag probeert het Engels te herhalen, zou het Engels willen kunnen herhalen, maar kan niets anders dan ernaar vragen. Wat zouden ze er niet voor overhebben? They would love for us to. In de ruimte tussen die twee zinnen, tussen de vraag en het antwoord, zit een sprong van het ene idioom naar het andere, en het ene auteurschap naar het andere. Carsons gedicht wandelt als een dode achter dat van Brands aan, en heeft geen longen, en kan niet roepen. It would love for us to turn around. Een verlangen dat de lezers van Brands’ gedicht niet bereiken kan, vanwege het taalverschil: die worden alleen geconfronteerd met een vraag waaruit die liefde is weggevallen. Wat zou het er niet voor over hebben?

De doden zijn victims of love. In Carsons gedicht precies omdát het de liefde is die hen doet verlangen dat wij ons omdraaien. Zouden ze niet verlangen dat we ons omdraaiden, dan zouden ze er niet onder lijden dat we dat niet doen, en dat ze er niet om kunnen roepen. In Brands gedicht is dat niet meer het geval. Waarom zijn de doden slachtoffers van liefde, in Brands gedicht? Heeft die vraag nog een antwoord? Het antwoord is love – in het Engels, alleen terug te vinden in het gedicht van Carson. Het antwoord is dat wij moeten omkijken.

Ik zou willen zeggen dat beide dingen waar zijn: de doden lopen achter ons, en achteruit. Vanaf een bepaald punt is er geen terugkeer meer, en dat punt moet bereikt worden, is te bereiken, schrijft Kafka. Dat punt is de dood, vanaf waar we opeens achteruit beginnen te lopen, steeds verder van de levenden die ons voorbijstreven vandaan. We kunnen niet roepen, maar willen dat ze naar ons omzien, ondanks die groeiende verte.

‘Vrij naar Anne Carson’ – is dat misschien niet ook ‘naar’ als ‘in de richting van’? Vrij naar Anne Carson, daarmee ziet het gedicht naar zijn dode om. Brands’ gedicht belichaamt, met zijn eigen dode vlees, het persoonlijke opnieuw. Het doet precies dat, door het persoonlijke te herhalen, wat blijkbaar – in dit geval – niets anders is dan hetzelfde of ‘hetzelfde’ laten zeggen door iemand anders, hetzelfde opnieuw persoonlijk te maken. Brands’ gedicht is Brands’ gedicht. Daarop volgt geen omdat: daarmee begint het, probeert het opnieuw te beginnen, probeert het opnieuw belichaamd te worden, ondanks dat dat ook altijd weer een ontlichaming inhoudt; ondanks dat ook dit gedicht ten dode opgeschreven is, in de hoop dat we ernaar omzien.

Wat zouden gedichten daarvoor over hebben? They would love for us to. Slachtoffers van liefde, slachtoffers van hun en onze liefde: hun liefde, die niet kan voorkomen dat ze verlangen wat ze niet zelf kunnen bewerkstelligen, en onze liefde, die niet beter kan dan hetzelfde op-nieuw, maar in dat opnieuw hetzelfde door het te herhalen aantast, verandert. Ik bedoel dit: we brengen de doden niet terug. Alles wat we over ze zeggen brengt ze zelfs verder weg. Niet achteruit lopen – zouden we het überhaupt kunnen? We brengen de doden niet terug, maar dat ontzegt ons niet van omzien; herhaling – bijvoorbeeld de ‘herhaling’ van een gedicht. Dat brengt ten minste iets terug, dat ‘iets’ is enkel iets anders.

Wim Brands - s Middags zwem ik in de NoordzeeWim Brands
’s Middags zwem ik in de Noordzee
(Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2014)

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

Een gedachte over “Over doden, auteurschap, vertalen, vrijheid en de Bibliotheek”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *