Bespreking

‘En wat in godsnaam kan mijn kleine / met een tiental metaforen’ – Idwer de la Parra over wat een vader zijn kinderen geeft

Detail uit 'Kruisiging' (1490) van Carlo Crivelli
Detail uit 'Kruisiging' (1490) van Carlo Crivelli

Once more the storm is howling, and half hid
Under this cradle-hood and coverlid
My child sleeps on.  There is no obstacle
But Gregory’s wood and one bare hill
Whereby the haystack- and roof-levelling wind,
Bred on the Atlantic, can be stayed;
And for an hour I have walked and prayed
Because of the great gloom that is in my mind.

Dit is de eerste strofe van misschien wel het bekendste gedicht over vaderschap uit de Engelse literatuur, ‘A Prayer for My Daughter’ van W.B. Yeats. Onder een storm die zijn gemoed en karakter externaliseert, piekert de dichter over de meest archetypische vraag van het ouderschap: wat wil ik voor mijn kind en hoe kan in het haar geven? Het antwoord dat hij geeft, schijnt mij toe als het typische antwoord van een vader. In de rol van opvoeder en verantwoordelijke besluit de onstuimige Yeats dat hij een rustig leven wil voor zijn dochter, dat ze een bestendige plek voor zichzelf vindt, dat ze vriendelijk zal zijn en goedlachs, een groene laurier op een goede plek:

O may she live like some green laurel
Rooted in one dear perpetual place

De druilerige en donderende Yeats hoopt, simpeler gezegd, dat zijn dochter hebben kan wat hij niet had. Dat ze een ander leven zal leiden dan hij.

Idwer de la Parra lijkt ook een onrustig, ongericht leven achter de rug te hebben. Dan hebben we het, voor de duidelijkheid, over het poëtische ik uit zijn debuutbundel Grond (2016). Dat leven bracht ook, soms per ongeluk lijkt het, kinderen voort. De la Parra vraagt, directer dan Yeats: ‘Hoe te leven? // Wat mijn zoon te zeggen?’ Specifieker nog, in een gedicht waarin hij zijn dochter troost, als zij inmiddels alweer is vergeten waarom ze huilde, vraagt de dichter: ‘Kan ik haar geven wat ik / zelf niet had?’

Of gebroken wordt het

In het openingsgedicht ‘Ideeën’ stelt De la Parra zich zijn leven voor als een stuiterende knikker. Anders dan Spinoza’s steen – die halverwege zijn val ontwaakt en meent dat hij ervoor kiest die kant op te bewegen – geeft De la Parra zichzelf over aan dat lot: ‘Het stuiteren / zal stuiteren zoals de tegels zijn gebakken.’ De kuilen en hikken liggen al in het trottoir, de knikker heeft er alleen nog maar op af te ketsen. Verderop, in een van de titelloze gedichten, ziet De la Parra stof – ‘stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’ (Gen. 3:14) – gevangen in spinnerag, in de rondte geduwd door hete lucht:

Daar valt de zon en valt
het blad. Van bomen blijft niets over dan

een wijdvertakte barst.
De spreeuwen zwermen nog een

samenhang.
Ik houd me aan de steelpan vast,

beschrijf de dagelijkse baan
tussen kast en koffiedik.

Stof dat kleeft aan spinnerag, het danst
op kachelwarmte.

Daar valt de zon en valt het blad –
het komt me voor

dat willen wordt verward
met eender welke warmtebron.

De la Parra beeldt in het klein de manier uit waarop een chaotische wereld hem van zijn vrijheid berooft. Het stof zit niet vast in een web, maar kleeft aan wat spinnerag. Zoiets mag geen gevangenis heten – het zweeft vrij rond. De la Parra’s gevangenschap, waar die rag een symbool van is, is er niet een van immobilisatie; hij is juist overgeleverd aan ‘eender welke warmtebron’ die hem dan weer deze, dan weer gene kant op blaast. De ‘steelpan’ waar De la Parra zich aan vasthoudt, mogen we, in de context van de rest van de maritieme metaforen uit de bundel, lezen als de Grote Beer, die weer op de Poolster wijst. Sterren stellen ons misschien in staat te bepalen waar we zijn; we reizen waar de wind heen waait.

Dit fatalisme krijgt nog een nihilistisch randje als De la Parra zich erbij afvraagt wat er van hem achterblijft in de wereld:

Aan water heeft de wilg zijn vorm
gegeven, harde lijnen zijn vergeten

en nergens een scherf als de karper
met zijn rug door de spiegel breekt,
het beeld keert na de golven

terug. De vaart is enkel lucht.

Het water stroomt weer bij elkaar alsof er niets is gebeurd. Het doet denken aan het ‘rimpelgeweld’ uit de gelijknamige roman van Menno van der Veen. In een van de passages waarin de lezer binnen een soort Wittgensteiniaans gedachte-experiment wordt aangesproken, staat dit:

Laat je vinger even staan en beweeg hem dan zachtjes naar voren, blijf in het matras duwen, creëer weerstand alsof je speelt dat je een duwboot bent die zich een weg baant naar de overkant. Zie je de rimpels in het laken? Ze ontstaan en ze verdwijnen weer.

Ook Van der Veens verteller ziet de rimpels in zo’n laken, of een leven, weer verdwijnen als golfjes in een vaart. De passage eindigt zo:

Je vinger veroorzaakte wat rimpels. De sporen zijn niet zichtbaar: ze betekenen niet meer dan wat je ervan wil onthouden.

Zowel Rimpelgeweld (2017) als Grond beschrijven op deze manier een wereld waarin niets achterblijft. Alleen De la Parra zelf draagt het met zich mee. In ‘Havenwater’ beschrijft hij hoe ‘de chaos van het havenwater’ licht ‘na vele / jaren reizen niet onthaalt maar doorstuurt’ – het komt niet thuis maar stuitert verder:

het licht zelf dat de roversblik van meeuwen
snel verlaat en terugvalt op de stenen, stuit
op de geslotenheid van druppels, toch binnen

wordt gelaten, gebroken, verwezen naar de
gevels met hun platte daken […]

Die minimale bijzin: ‘gebroken’, licht gebroken door een druppel, zoals een prisma dat doet, en tegelijk is het alsof De la Parra suggereert dat het licht al gebroken was van die lange reis. Zoals dat woord zo ook middenin een soort opsomming staat van wat het licht overkomt, wat het ondergaat. Het wordt gebroken, of gebroken wordt het toegang verleend en doorgestuurd. Zo ervaart De la Parra, denk ik, de loop van zijn leven, die knikker. De rimpelingen gaan weer op in het water, alleen hij bewaart, gebroken, een persoonlijke erfenis.

Een vogel uitleggen wat een vogel is

Via die fragmenten komen we uit bij wat mij betreft een sleutelgedicht van de bundel, ‘Bootjesbrug’. Het gaat over een bezoek aan de omgeving waarin de dichter opgroeide, hij is ‘fysiek weer op de plek waar hij als jongen stond.’ Die omgeving bevat symbolen uit het verleden, zoals de greppels tussen de weilanden bijvoorbeeld ‘aaneengeschakeld lege kruizen vormen’. De la Parra denkt aan zijn opvoeding, aan de familie die hem voort heeft gebracht:

Lenig ontwijkt het water harde kadastrale feiten,
en ik heb zin om iemand de schuld te geven.
Gerinkel van genetisch korte kettingen, daar lopen ze
als slaven zonder lied.

En ook met dit leed, als we het zo kunnen noemen, met deze erfenis, kan hij niet ergens anders terecht dan bij zichzelf, een schreeuw rimpelt kort door het landschap en verdwijnt weer:

Grint, als stompe tanden van het voorgeslacht.
Dit lopen knarst. De regenpijp voert de kreten
van de zwaluw af – veroorzaakt slechts een rimpeling
in het heldere water van de regenton.

Tegen die achtergrond vraagt De la Parra zich af wat hij voor zijn kinderen kan betekenen. Wat moet hij zijn zoon vertellen en hoe kan hij zijn dochter geven wat hij zelf niet had? Meer nog, wat maakt zijn poëzie voor hen uit? Wat laat hij aan hen na? Dat rimpelende, zelfherstellende water, waarin alles verdwijnt, keert ook weer terug in de context van deze vragen, op het moment dat De la Parra met zijn belangrijkste formulering van dit probleem komt:

Blauw zijn hier de wormen. Wie graven wil
stuit onherroepelijk op een heerszuchtig waterpeil.
En wat in godsnaam kan mijn kleine later
met een tiental metaforen?

Wat houden zijn kinderen over aan deze gedichten? De la Parra stelt niet de vraag, of niet per se, naar het maatschappelijk nut van poëzie – alhoewel elk persoonlijk nut niet strikt on-maatschappelijk is, misschien – hij vraagt puur wat zijn kinderen met zijn schrijven kunnen. We mogen het misschien een intensivering lezen van de vraag wat we, wie dan ook, met poëzie kunnen doen.

Het is interessant dat De la Parra het woord ‘metaforen’ gebruikt, niet simpelweg ‘verzen’ of zoiets. Hij wijst specifiek op de manier waarop poëzie met het ene iets anders moet zeggen. De strofes over licht of zwaluwen, het dansende stof, waarmee De la Parra niet alleen licht beschrijft, of stof, maar meer. Daarmee heb ik tot nu toe ook iets gedaan, ik heb rondgelezen in de ruimte die deze woorden laten.

Maar, wat houden zijn kinderen over aan een beeld dat voor zoveel uitleg vatbaar is? Dat hen niet meteen iets specifieks, iets specifiek voor hen, te vertellen heeft?

Een strofe verderop lijkt De la Parra kort te mediteren op die manier waarop poëzie het ene uit moet leggen met het ander:

In mijn droom vraagt een vogel wat een vogel is,
en ik gebaar, fluit, duw mijn gezicht als tussen veren,
was me in zand, strek mijn armen wijd uit
en val te pletter op ochtendlicht.

Als mens, als niet-vogel, een vogel uit te leggen wat hij is, door te doen als een vogel. Door met je armen en gezicht een vogel uit te beelden. Het is een beweging waarvan De la Parra hier laat zien hoe die altijd tekort moet schieten: een metafoor valt nooit samen met de dingen waar het een metafoor voor is. De la Parra kan de vogel alleen laten zien dat vogels vliegen door zelf te pletter te vallen op het ochtendlicht.

Het interessante is, denk ik, dat we alles op deze manier uit moeten leggen. De la Parra lijkt de manier waarop hij moet falen de vogel uit te beelden ook niet negatief op te vatten. De strofe bevat geen wroeging, spijt of frustratie – hoe frustrerend het ook kan zijn dat je woorden anders opgevat worden dan je misschien, op dat moment, prettig vindt. We communiceren niet op een andere manier dan door de ander woorden ter interpretatie te geven.

En als we dan denken aan dat vaderschap? Wat heeft een vader anders dan zichzelf en zijn eigen leven als hij zijn kinderen uit wil leggen wie zij zijn? Dat De la Parra zichzelf kan gebruiken om meer uit te drukken dan alleen zijn eigen geschiedenis of verlangens, maakt het juist ook mogelijk voor hem om zijn kinderen iets te geven waar zij iets aan hebben.

Zeker als hij zijn kinderen vrijheid wil geven, dat wat hij niet gehad lijkt te hebben.

Overstroomgebied, een gat in de takken

In ‘vijf voor vijf’ beschrijft De la Parra dat verlangen zo:

[…] Zinnen, laat mijn kinderen
dierlijk leven, laat de teerling slijten
tot een blinde bol. Laat ze vreten bij honger
en elke zoektocht elke dag opnieuw beginnen.

Vrij van het lot en steeds als nieuw, zo hoopt De la Parra zijn kinderen in staat te stellen te leven. Meer nog, hij verlangt van de zinnen die hij schrijft dat ze zijn kinderen zo laten zijn. Misschien mogen we zeggen: De la Parra wil zijn kinderen niet beschrijven op een manier die hen verhoedt om iets heel anders te worden. De metafoor, poëzie, biedt die ruimte, laat die ruimte.

In het gedicht ‘Snoeien’ laat De la Parra ons iets van die ruimte zien in een tuin:

Boetserend met toekomstig licht
hanteer ik de zaag en waan me
een heerser die zijn stempel drukt

met de bouw van een dam.
Consequenties die geen mens voorziet,
ik noem ze overstroomgebied.

Heel anders dan Yeats, die zijn dochter, terwijl ze nog in de kribbe ligt, al vertelt welke vrouw hij haar het liefst ziet worden, wil De la Parra zijn kinderen juist een ruimte laten die hen vrij stelt. De ruimte die een metafoor laat is zulk overstroomgebied, een gat in de takken, waar het onvoorspelbare zou kunnen gebeuren.

De la Parra gaat hier op een prettige manier voorbij aan de vraag of zijn kinderen, anders dan hij, als knikkers door hun leven zullen stuiteren ‘zoals de tegels zijn gebakken.’ De dichter verlangt slechts naar een manier waarop hij, als vader, zijn kinderen vrij kan laten. Hij wil zijn kinderen uitleggen wie ze zijn op een manier die hen niet opsluit. En dat wil, denk ik, zeggen dat hij hen uit wil leggen dat ze kunnen zijn. Woorden gebruiken die de ruimte laten aan hun potentie.

Volgens mij gaan de laatste regels van de bundel hierover, en niet alleen hierover, maar gelukkig ook:

Het sterke hoge gras
laat zich eenvoudig zeisen,
het wit van de berk
krult op als een boek
dat buiten heeft gelegen.
De toekomst van dit veld
ligt open nu de zon
de slapende soorten
kan bereiken.

Parra_Grond-NIEUW

Idwer de la Parra
Grond
(Amsterdam: De Bezige Bij, 2016)

De website van De Bezige Bij

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *