Bespreking

‘Wie is het die loog: / mijn hoofd of mijn oog?’ – Over kinderpoëzie, herkenbaarheid, intensivering en Shakespeare

Detail uit een Superguppie-illustratie door Fleur van der Weel
Detail uit een Superguppie-illustratie door Fleur van der Weel

Min of meer naar aanleiding van dit stuk in het NRC, ben ik de afgelopen tijd eens de ‘kinderpoëzie’ ingedoken. Dat plaats ik meteen maar tussen aanhalingstekens, want intuïtief zie ik niet helemaal hoe ik die van ‘gewone’ of ‘volwassen’ poëzie zou moeten onderscheiden. Is volwassen poëzie ‘moeilijker’? Moeilijker hoe? Ik heb niet het idee dat ik, wanneer ik poëzie lees, primair bezig ben met een intellectuele oefening die ingewikkelder of minder ingewikkeld zou kunnen. Een gedicht kan zich misschien de ene keer makkelijker prijsgeven dan de andere, maar die verwoording moet ons niet misleiden te denken dat het punt van een gedicht is om te ‘ontdekken’ wat het ‘achterhoudt’. (Daar schreef ik eerder over, in de context van recensenten die Nachoem M. Wijnbergs poëzie maar al te gemakkelijk ‘geheimzinnig’ vinden.)

Een van mijn langer standhoudende intuïties is het idee dat een gedicht de taal intensiveert. Wat ik daarmee bedoel is dat poëzie geen essentieel andere manier van spreken is dan ons dagelijkse taalgebruik, maar dat poëzie op een strategische manier gebruikmaakt van de mogelijkheden die binnen die dagelijkse taal al bestaan. Er zit een bepaalde moeilijkheid in het aanwijzen van die strategieën, omdat het niet altijd een kwestie is van een van het gedicht los te denken ‘vorm’, iets dat je zou kunnen abstraheren om het vervolgens ‘nog eens’ met een ander gedicht te proberen.

Hoe het ook zij, ik merkte dat de ‘kinderpoëzie’, zoals het NRC kopte, inderdaad soms ‘beter’ zou moeten kunnen – iets waar we het weinig over hebben, hier op Klecks, omdat de stukken hier niet primair uit moeten zijn op een waardeoordeel. Waar het ‘m voor mij in zat, was het feit dat veel van de poëzie naar mijn idee enkel een poging deed herkenbaar te zijn – en dat staat misschien lijnrecht tegenover die intensivering waar ik het net over heb. Het is misschien dan ook beter niet te spreken over ‘beter’ of ‘slechter’, maar simpelweg te benoemen dat veel van de gedichten weinig voor me lijken te doen.

Kindersituaties

Ik zal maar gewoon voorbeelden aanhalen. Uit Niets liever dan jij, met gedichten van Erik van Os en Elle van Lieshout, ‘Het verschil’:

Ik hoorde mama
mama zeggen
– mama zei mama 
tegen oma!

Dat snap ik niet.

Mama’s zijn mama’s
Oma’s zijn oma’s.

Dat mama dat
verschil niet ziet!

Waar grijpt het gedicht in? Misschien met name in de eerste strofe, waarin de te-herkennen kindersituatie gesuggereerd wordt door de herhaling van ‘mama’, en het schuindrukken ervan. Het leren dat sommige woorden relatief zijn aan de spreker. Verder rijmt het nog, maar met name omdat gedichten dat nu eenmaal moeten doen (maar een erg gering deel van de gedichten in de bundel rijmt niet). De laatste drie strofen lijken vooral de potentie die de eerste heeft – waarom bijvoorbeeld de verwarring niet het hele gedicht lang overeind houden? – teniet te doen, door ietwat grappend de ‘status quo’ van het kinderbrein weer op te werpen.

Een ander voorbeeld, ‘Strukken’:

Papa, mama
kom eens kijken
wat ik heb gedaan.

Laat de afwas
laat de laptop
nou eens even staan.

Ik vind het
voor de eerste keer
lang niet slecht gelukt

hoe ik de schoenen
van mijn knopen
vol met veters
heb gestrukt.

(Op de illustratie door Marije Tolman zijn een afwassende mama-rups en laptoptillende papa-rups te zien, die blij kijken hoe de veters van kind-rups kronkeliger dan een wilgentak over de pagina zwieren.) Dit gedicht werkt naar mijn idee al iets beter. Of anders gezegd: het doet al meer, doordat het in die laatste strofe de opstapeling van verkeerd-gekoppelde zinnen lekker door laat gaan, vervolgens ‘strikken’ verkeerd spelt (om te zeggen dat je verkeerd strikt – maar tegelijkertijd dus te zeggen dat het dus gelukt is om te strukken). Tegelijkertijd neemt ook dit gedicht als aanvang weer de herkenbaarheid, wil het vooral een situatie die al voorkomt nog eens poëtisch vormgeven.

In Gewoon een droom, met ‘droomgedichten en nachtgedichten’ van Linda Vogelesang, vond ik ‘Kamperen’:

Vanmiddag leek het nog zo leuk:
de nieuwe tent
op het gras
van de tuin
en ik erin.
Een groter feest
was er nooit geweest!
Dus vroeg ik mam en pap
of ik er ook mocht slapen.
Ze keken naar mij en naar elkaar
met vragen in hun ogen.
Tot papa zei: ‘Vooruit dan maar!’
en mama vroeg: ‘Durf je dat?’
Mijn knik
was toen nog niet gelogen.
Nu lig ik hier en luister ik
naar wat er kraakt en piept
naar wat er zucht en zwiept.
Ik adem zacht en wacht
op het laatste restje van de nacht.

Misschien ook een gedicht dat voornamelijk weer op de herkenbaarheid werkt, maar ik werd tijdens het lezen gegrepen door die twee regels iets na het midden: ‘Mijn knik / was toen nog niet gelogen.’ De knik zelf is ook een ‘knik’ in het gedicht, in hoe de regel plotseling verkort, en de uitspraak zelf doet meer dan bijvoorbeeld, ‘Mama’s zijn mama’s’ – doet misschien precies het omgekeerde. Mijn knik was toen nog niet gelogen: dat zegt iets over hoe je iets werkelijk van plan kon zijn wat je later niet goed durft, er zit op een bepaalde manier zelfs iets in van hoe wij, als mensen, onszelf de hele tijd op onze toekomst projecteren – en hoe dat mis kan gaan wanneer we er werkelijk mee worden geconfronteerd. Ik had die regels ook prima gevonden in een ‘volwassen’ bundel, is wat ik maar wil zeggen.

‘Kinder’-stemmen

En volgens mij zit daar iets in – ik heb het idee dat, wil je kinderpoëzie schrijven, je in elk geval geen kinderpoëzie moet willen schrijven. Ik bedoel het proberen te praten als een kind; dat moet je volgens mij willen vermijden, omdat dat ‘als’ óók vaak in het gedicht terecht komt. In de gedichten die ik las was maar zelden, naar mijn idee, een kind aan het woord – veel eerder zo’n volwassene die ineens raar begint te praten als er een kind tegenover hem of haar staat (waar ik persoonlijk, als jongetje, een enorme hekel aan had – ik vroeg me altijd af of deze mensen dachten dat ik geen Nederlands kon).

Een van de andere, geslaagdere gedichten in Gewoon een droom, ‘Lege kleren’, doet dat volgens mij precies niet:

’s Nachts wachten al mijn lichaamsdelen
als een hoopje lege kleren over een stoel,
wanneer ik losgebroken
door het grenzeloze droomruim zweef.
Pas als het zonlicht door de gordijnen prikt
en de geluiden van buiten
niet meer willen passen bij wat ik droom,
trek ik sloom mijn armen aan,
mijn billen, buik en benen.
Elke dag ben ik opnieuw verrast
hoe precies mijn lichaam om mij past.

Misschien is ‘het grenzeloze droomruim’ wat kenmerkend voor zo’n leeftijdsgerichte bundel, wellicht ook de wil te allitereren met ‘billen, buik en benen’. Maar in principe is er aan dit gedicht weinig dat het specifiek als kinderpoëzie kenmerkt. Ik ben in elk geval nog steeds verbaasd wakker te worden, te beseffen dat ik een aantal uur niet heb beseft waar ik was, dat ik lag, me niet bewust geweest ben van mijn lichaam. Verbaasd, niet omdat ik het niet verwacht, maar omdat het nog steeds, in zekere zin, onvoorstelbaar is. Dat is het hele punt: je bent je niet bewust, hoe zou je je dat voorstellen? Als hoopje kleren op een stoel. Het deed me denken aan een van m’n favoriete gedichten van Charles Simic:

It was the epoch of the masters of levitation. Some evenings we saw solitary men and women floating above the dark tree tops. Could they have been sleeping or thinking? They made no attempt to navigate. The wind nudged them ever so slightly. We were afraid to speak, to breathe. Even the nightbirds were quiet. Later, we’d mention the little book clasped in the hands of the young woman, and the way that old man lost his hat to the cypresses.
In the morning there were not even clouds in the sky. We saw a few crows preen themselves at the edge of the road; the shirts raise their empty sleeves on the blind woman’s clothesline.

De shirts heffen hun lege mouwen – en op een of andere manier maakt het feit dat het de waslijn van een blinde vrouw is het alleen maar spookachtiger, nadat we die zwevende, misschien-slapende, misschien-denkende mannen en vrouwen hebben gehad. Worden deze twee gedichten gescheiden door een enorm, essentieel verschil? Iets dat werkelijk met kinderlijkheid te maken heeft? Ik snap dat er bepaalde overwegingen zijn met betrekking tot woordenschat, met welke woorden er worden gebruikt – maar zegt dat iets over hoe? Daar ben ik niet van overtuigd.

Wat ik tijdens het lezen de hele tijd moest denken: ik wou dat ik kinderpoëzie tegenkwam die geschreven leek door Lucebert. Die is ook speels, die is ook op een soortgelijke manier verwonderd, misschien, maar daar gebeurt iets, méér dan herkenning.

Ik heb het er trouwens niet over dat gedichten niet over situaties zouden moeten gaan waar kinderen mee in aanraking komen; ik bedoel vooral dat dat eerder het vertrekpunt dan het doel moet zijn. Een gedicht is niet geslaagd wanneer het die situatie lijkt te beschrijven, wanneer het ‘past’, wat mij betreft. Ik ben benieuwd wat gedichten doen als ze, vanuit de situatie, proberen te ontwaren wat er allemaal nog mogelijk is.

De wereld de woorden in

Weinig origineel kom ik, net als het NRC-artikel, uit bij de poëzie van Edward van de Vendel, specifieker bij Superguppie is alles (een verzameling van vier Superguppie-bundels en 22 nieuwe gedichten). Neem bijvoorbeeld ‘Kapper’:

Het geluid van de schaar in mijn haar
vinden mijn oren
gevaarlijk.
Ze horen er pijn in en knippen en bloed.
Dat is raar,
want de kapper is vreselijk goed,
dus moeten mijn oren niet zeuren
en alles laten gebeuren.
Maar nee hoor – ze fluiten wanneer
ik naar buiten kom gestapt:
Fjoe! Zijn we wéér
aan de slager
ontsnapt!

Ook dat is misschien een herkenbare situatie, maar dat is het beginsel, niet het doel. De beschrijvingen zijn er niet op uit te passen, zijn er op uit wat we al kennen weer werkelijk te zeggen. De intensivering van taal die het gedicht is, is er op uit de clichés, stereotypen, vaste uitdrukkingen waar we ons in feite onbewust sprekend doorheen bewegen weer open te breken, de wereld de woorden weer in te laten. Oren die een geluid gevaarlijk vinden. Er pijn in horen. Die zinnen zeggen iets – op een werkelijkere manier dan wanneer we zeggen dat je een geluid eng vindt, of bang bent in je oren geknipt te worden. Ook de personificatie van de oren hier is meer dan puur een grapje, het brengt iets in de taal aan van hoe je op zo’n moment rationeel kunt weten dat er maar kleine kans is dat er iets mis gaat, maar toch telkens als je de schaar hoort bang bent.

Nog maar een voorbeeld, ‘Want’:

Ergens lag
een weggegooid wantje.
Maar wat ik zag
was een weggegooid handje.
Nergens was bloed:
ik keek dus niet goed.
Wie is het dan die ik vertrouwen moet?
Wie is het die loog:
mijn hoofd of mijn oog?
Ik had moeten wachten
tot het wantje bewoog.

Ja, het is toegankelijk, het brengt een bepaalde situatie terug naar een woordenschat die geschikt is voor de kinderen die de beoogde lezers zijn van het boek. Maar is die situatie zelf zo kinderlijk? Lijkt me niet – het is praktisch het dolk-moment in Shakespeare’s Macbeth:

Is this a dagger which I see before me,
The handle toward my hand? Come, let me clutch thee:
I have thee not, and yet I see thee still.
Art thou not, fatal vision, sensible
To feeling, as to sight? Or art thou but
A dagger of the mind, a false creation,
Proceeding from the heat-oppressèd brain?
I see thee yet, in form as palpable
As this which now I draw.
Thou marshall’st me the way that I was going,
And such an instrument I was to use.
Mine eyes are made the fools o’th’other senses,
Or else worth all the rest: I see thee still

Zelfs de conclusie zou je in een vergelijking mee kunnen nemen: ik had moeten wachten tot het wantje bewoog. Want met de regicide die Macbeth na dit visioen pleegt, begint in feite zijn einde, waar Macbeth eerder – toen hem net voorspeld was dat hij koning zou worden – nog zei: ‘If chance will have me King, why, chance may crown me, / Without my stir.’ Ik had moeten wachten tot het wantje bewoog, ik had moeten wachten tot het toeval ‘uit zichzelf’ de koning uit de weg zou ruimen, tot ik zonder bloed aan mijn handen op de troon terechtkwam. Die mogelijkheid stond misschien nog open het is denkbaar dat Macbeths haast hem tot een moordenaar heeft gemaakt. Dat is geen zekerheid, natuurlijk; misschien is Macbeths moord precies het toeval dat uit zichzelf werkt, wat al niet meer voorkomen kon worden – het is niet gezegd dat het wantje zou bewegen als je had gewacht.

Het is, wil ik maar zeggen, niet onmogelijk in een gedicht dat leesbaar is voor kinderen – wat mij betreft een fijner soort onderscheid, omdat het niets in essentie over het gedicht zelf zegt – bepaalde tensies te creëren die evengoed huis kunnen houden in een Shakespeariaanse tragedie. Ik ben er ook van overtuigd dat, hoewel we als mens natuurlijk opgroeien, meer meemaken, een breder referentiekader krijgen, we niet geconfronteerd worden met ervaringen die om essentieel ander denken vragen. Wellicht is het eerder omgekeerd: juist vanwege die uitgebreidere referentiekaders, is het voor volwassenen soms moeilijker de wereld opnieuw te zien. Daar ligt een kans voor kinderpoëzie, zoals die ook af en toe al wordt benut: niet bang te zijn je lezers kwijt te raken, ze zijn waarschijnlijk bereid een stuk langer mee te lezen dan de gemiddelde volgroeide. Ik sluit graag af met een laatste Superguppie, ‘Ochtend’:

Ik lig hier
te wachten op later.
Ik adem nog zachtjes
als water
en elk van mijn ogen is dicht –
alsof er een schelpje op ligt
waardoor ik de dag
niet kan zien.
Misschien
is de ochtend
een strand.
Kijk kijk,
in mijn ooghoeken:
zand.

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (1993) is schrijver en wiskundige, en begon in 2016 aan een onderzoeksmaster wetenschapsgeschiedenis en -filosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties bij Uitgeverij Atlas Contact, het jaar daarop was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium van de gemeente Utrecht. In het najaar van 2017 verschijnt zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *