De Regelname

‘Het is eigenlijk een Grote Vraag, verstopt onder een kleine vraag’ – Maarten Buser over Jana Prikryl, het geheugen en terloopsheid

Beeld door Anath Junge
Beeld door Anath Junge

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. Eens per maand vragen we een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

Met in deze eerste aflevering: Maarten Buser, dichter, criticus en journalist, die begin 2016 debuteerde met zijn bundel Club Brancuzzi. Een interview over herinneren, anekdotische poëzie die je besluipt en anderstalige invloeden. Lees hier het bijbehorende gedicht ‘Eindeloos scrollen’.

Who remembers where the juice was spat?

Uit: ‘Inverted Poem for the Fluoride Ladies of Pleasant Valley School’ – Jana Prikryl

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waar het uitkomt en de dichter die hem heeft geschreven.

Maarten Buser: Jana Prikryl is geboren in Tsjechië, groeide op in Canada, en woont al geruime tijd in Amerika. Ze debuteerde vorig jaar met The After Party, een van mijn lievelingsboeken van 2016. Dat komt voor een groot deel over hoe ze over herinnering schrijft. Dat doet ze op een interessante en concrete manier.

Het gedicht ‘Inverted Poem for the Fluoride Ladies of the Pleasant Valley School’ is daar een heel goed voorbeeld van. Dat gaat over de herinnering aan vrouwen die vroeger, ik geloof in de jaren zeventig, op basisscholen kwamen om kinderen sap met fluoride te laten gorgelen; dat is tegen het tandbederf. Toepasselijk genoeg weet ik dat via een paar discussies op fora waarin gepraat wordt over ‘wie herinnert zich deze gang van zaken?’ en ‘waar was het goed voor?’

Het gedicht gaat bijna op een metamanier over (die) herinnering

De halfscherpe herinnering aan deze fluoride ladies vormt het uitgangspunt, maar het gedicht gaat bijna op een metamanier over (die) herinnering. Zo heeft het geheugen de vrouwen tot een paar beelden gereduceerd: ‘Their uniform remains […] They stand erect, side by side, and shine / like knowledge.’ Die beelden zijn net zo herkenbaar als vervreemdend, zoals een herinnering dat vaak ook is. Het voelt alsof Prikryl in haar gedicht probeert die mysterieuze mechanieken van het geheugen bloot te leggen. Dat is erg prikkelend.

K: Waarom zou je deze regel zelf geschreven willen hebben?

MB: Het is een regel die heel alledaags overkomt, die uit het normale taalgebruik geplukt lijkt. Prikryl heeft vaak prachtige, heel precieze formuleringen. Een immigrant die niet goed in zijn nieuwe thuisland kan aarden, noemt ze een ‘compulsive translator’. Twee woorden, je weet precies wat ze bedoelt, en tegelijkertijd zit daar zoveel in. ‘Who remembers where the juice was spat?’ komt veel terloopser over, maar er zit ook zo ontzettend veel onder. Het is eigenlijk een Grote Vraag, verstopt onder een kleine vraag: waarom werkt het geheugen zoals het werkt? Zulke vragen stel je – althans ik, maar volgens mij geldt dat ook voor anderen – juist aan de hand van iets kleins. Het gedicht gaat over het arbitraire van de herinnerde details: de ‘ik’ herinnert zich de merken sap, de kleding van de vrouwen, dat er twee rijen stonden. Maar waar het sap in uitgespuugd werd weet ze niet meer. Het staat er niet met zoveel woorden, maar zoiets geeft te denken: hoe kan het dat ik het ene nog weet, en het andere niet? Is daar een reden voor? Is er een soort hiërarchie?

Wat ik erg belangrijk vind, is dat het lastig is deze regel los te weken uit het gedicht. Ja, je kunt ‘m eruit lichten, dat is immers ook wat ik nu aan het doen ben, maar je hebt de rest van het gedicht nodig – om hem te snappen en om de pracht van de zin te zien. Dat is eigenlijk wat ik zelf ook wil: regels schrijven die een duidelijke rol in het geheel hebben, maar waar je er best een uit kunt lichten om daar op in te zoomen.

Makkelijk doorlezen waarna je denkt: ‘Maar wat is er eigenlijk aan de hand?’

K: Eén overeenkomst van de regel met het werk dat we van je kennen lijkt hoe hij door de vraagvorm, de verleden tijd, de aangesproken ‘who’ en het ‘herinneren’ verhalend aandoet, zonder echt een verhaal te worden. Wat is voor jou de functie van ‘verhalende’ regels?

MB: Ik denk dat ‘verhalende’ regels een goed middel zijn voor een van de doelen die ik wil bereiken: terloopsheid die bijna afleidt van wat er ondertussen allemaal aan de hand is. Dat kan op een verhalende of anekdotische manier, want dat nodigt uit tot makkelijk doorlezen waarna je denkt: ‘Maar wat is er eigenlijk aan de hand?’ En dan moet je natuurlijk terug naar het gedicht om dat nader te inspecteren. Een dergelijke ervaring heb ik bijvoorbeeld bij de beste gedichten van Charles Simic, wiens poëzie me erg heeft geholpen om een eigen vorm te vinden. Wim Brands was daar ook fantastisch in: gewoon iets vertellen en dan zat daar een kelder aan betekenis onder.

Bij Prikryl heb ik dat gevoel ook. The After Party is een bundel waarin de gedichten qua aanpak vrij uiteenlopend zijn; sommige zijn vrij verhalend-anekdotisch, terwijl er ook een veertig pagina’s lang, gefragmenteerd gedicht in de bundel staat. Een gedicht als ‘Fluoride Ladies’ is losser en associatiever, en doet me een beetje denken aan John Ashbery die ook iets heel terloops heeft. Dat zit bij hem in dat gefragmenteerde, alledaagse taalgebruik, alsof iemand naast je staat te praten: ‘Pardon my sarong. I’ll have a Shirley Temple. / Certainly, sir. Do you want a cherry with that? / I guess so. It’s part of it, isn’t it?’ En dan opeens een opmerking die erin hakt: ‘Pardon my past, because, you know, / it was like all one piece.’ Heel anders dan Simic of Brands, maar met eenzelfde soort effect. Zoiets wil ik ook graag bereiken.

Onder het schrijven luister ik graag naar muziek met veel tekst, of die nogal tekstgericht overkomt

K: Het enige Engels in je debuut, Club Brancuzzi, zijn de twee motto’s en één halve (geciteerde) regel in ‘Duizeling’. Wel heet een van je gedichten ‘Geen kerk in de wildernis’, naar het nummer ‘No Church in the Wild’ van Jay-Z en Kanye West. Hoe ga je om met het taalverschil, wanneer je geprikkeld wordt door niet-Nederlandstalige poëzie of songteksten? Vormt dat een obstakel of juist meteen al een voordeel? 

MB: Zoals ik in het antwoord op voorgaande vraag eigenlijk al schets: ik interesseer me erg voor wat er ook buiten het Nederlandse taalgebied aan poëzie verschijnt en is verschenen. Dat geeft vaak net andere impulsen. Voor het anekdotische of verhalende van Club Brancuzzi heb ik bijvoorbeeld goed gekeken naar Amerikaanse dichters als Simic, Raymond Carver of Charles Bukowski.

Met popmuziek ligt het net wat anders. Onder het schrijven luister ik graag naar muziek met veel tekst, of die nogal tekstgericht overkomt. Denk aan hiphopartiesten als Kendrick Lamar, Atmosphere en Aesop Rock, of singer-songwriters als Fiona Apple en Leonard Cohen. Onbewust en bewust pik ik het een en ander van hen mee, bijvoorbeeld aan beeldspraak. Maar zij zijn nu eenmaal Engelstalig, zoals de meeste van mijn favoriete artiesten zijn; het is niet zo dat ik bewust op zoek ga naar Engelstalige muziek of me aan die taal zit te vergapen, puur omdat het Engels is. Sterker nog: ik ben erg geïnteresseerd in goede Nederlandstalige artiesten. De teksten van Spinvis en vooral Eefje de Visser kunnen me net zo goed ontzettend prikkelen.

Op een bepaalde manier zijn Eefje de Visser luisteren en Jana Prikryl lezen voor mij hetzelfde: even niet de taal die ik gewend ben, waardoor de taal zelf ook veel sterker op begint te vallen. En hoe cliché het volgende misschien ook klinkt: dat zorgt voor nieuwe perspectieven en ideeën.

Buser Club BrancuzziMaarten Buser
Club Brancuzzi
(Amsterdam: Koppernik 2016)

De website van Uitgeverij Koppernik

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *