De Regelname

‘Toen ik deze regel voor het eerst las, heb ik gelijk de bundel weggelegd’ – Wout Waanders over Charl-Pierre Naudé, verlies en beweging

Wout Waanders De Regelname

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Wout Waanders, dichter, stiftdichter en schrijver. In 2015 verscheen zijn chapbook Olifantopia bij wat toen nog Wintertuin heette (nu De Nieuwe Oost). Een interview over dat je iets kwijt kunt raken door het terug te krijgen en poëzie die je in beweging brengt. Lees het bijbehorende gedicht: ‘fideldumdum-nana’.

‘Dus nu heb ik je weer terug’

Uit: ‘Nu’ van Charl-Pierre Naudé

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waar hij uit komt en de dichter die hem heeft geschreven.

Wout Waanders: Het is de eerste regel van het gedicht ‘Nou’, van de Zuid-Afrikaanse dichter Charl Pierre Naudé (in het Afrikaans: ‘So nou het ek jou weer terug’). Het is precies de regel waar ik aan moest denken toen ik de vraag kreeg welke regel ik zelf zou willen hebben geschreven.

Toen ik deze regel voor het eerst las, heb ik gelijk de bundel weggelegd. De rest van het gedicht las ik pas later. Het is de perfecte beginzin: startend met dat afrondende ‘dus’, vervolgens de tijd, de introductie van beide naamloze personen die, volgens de laatste twee woorden een geschiedenis delen.

Zonder dat ‘weer’ of dat ‘dus’ zou het een waardeloos flutzinnetje zijn.

Er schuilt iets magisch in die zin: het is zo’n zin die pas waar wordt nadat iemand ‘m uitspreekt. Je hoort ‘m door iemand uitgesproken worden die alle moed bijeen geschraapt heeft, tegen beter weten in misschien ook, die twijfelt en tegelijkertijd ook zeker is. Elk woord staat op de goede plek. Zonder dat ‘weer’ of dat ‘dus’ zou het een waardeloos flutzinnetje zijn. Ik word heel enthousiast van zo’n openingszin.

K: Je hebt de beginregel van Naudé’s gedicht gekozen, dat zo verder gaat: ‘met je serienummer ingepakt in watten, / je gebottelde vleugels, / je eeuwigdurende leven op de plank.’ En je bent opnieuw begonnen, met dezelfde regel. Ook in jouw gedicht staat de openingszin in contrast met wat volgt: ‘je lag nu zo ver weg / en ik zat overal omheen.’

Waarom lijken zowel jij als Naudé vooral iets kwijt te raken op het moment dat jullie iemand terugkrijgen?

WW: Het nadeel van deze zin is tegelijkertijd dat je er eigenlijk daarna niet zo heel veel meer mee kan. Eigenlijk is alles al gezegd. Het is eigenlijk zo’n zin die je kan gebruiken om een gedicht op gang te krijgen, een motortje, om hem in de laatste versie vervolgens weg te halen. Naudé bleef echter deze regel nodig hebben, denk ik, juist omdat hij dat kwijtraken uit wilde werken.

Dat is wellicht verkeerd om geredeneerd, maar het is wel ook hoe ik de regel heb geprobeerd in te zetten in mijn gedicht: wil je zo’n regel inzetten voorafgaand aan de rest van het gedicht, dan moet je in ieder geval de mogelijkheid openhouden dat iemand helemaal niet terug is. Of niet helemaal zoals je gedacht had. Anders gezegd: die twijfel die zo uit die ‘dus’ spreekt, moet ook in de rest van het gedicht doorklinken. Naudé doet dat geweldig, met dat ‘eeuwigdurende leven op de plank’ – en later de moleculen ‘rondom een stralende gloeilamp’.

Een gedicht dat gedurende alle regels naar eenzelfde idee staat te turen, doet me wat minder.

K: Naudé en jij hebben die beginregel dus juist nodig om dat kwijtraken uit te werken?

WW: Ik vind het zelf altijd fijn als er een kleine beweging in een gedicht zit. Een gedicht dat gedurende alle regels naar eenzelfde idee staat te turen, doet me wat minder. Je moet ergens omheen, of het moet naar jou toe. Daarmee bedoel ik niet dat een gedicht je de hele tijd op het verkeerde been moet zetten, maar toch tenminste wel af en toe op een ander been. Dat verlies je een beetje als je deze regel weglaat.

K: Zou je, als je de opdracht opnieuw zou krijgen, weer een regel proberen te vinden die jou meteen in beweging zet? Is dat misschien wat poëzie überhaupt moet doen?

WW: Voor het antwoord op deze vraag kan ik het beste mijn shortlist favoriete zinnen aflopen (ik maak overal lijstjes en Excel-bestanden van). Ik denk van wel, ik zou weer zo’n regel hebben gepakt. Regels van Joke van Leeuwen, Esther Belin, Judith Herzberg en Alex van Warmerdam. Ze hebben gemeen dat ik er even de bundel bij weg wil leggen, je merkt dat je hoofd ervan in actie komt.

Ik wil weten hoe mensen aan de hand van taal een onbekende wereld tot leven kunnen wekken.

Misschien is dat wat ik inderdaad ook zoek in poëzie. Ik ben gefascineerd hoe mensen mooie anekdotes kunnen vertellen, of een goede mop. Ik wil weten hoe mensen aan de hand van taal een onbekende wereld tot leven kunnen wekken. Poëzie is voor mij de kunst om de grondstoffen die je daarvoor nodig hebt op te graven, te bekijken en te onderzoeken. Wanneer je na lezing in beweging wordt gezet, op wat voor manier dan ook, betekent het dat de tekst zoiets bloot heeft kunnen leggen.

Tegelijkertijd is het moeilijk over een ‘moeten’ te spreken. Het fijne van poëzie is natuurlijk dat dat ontbreekt, dat moeten. Er zijn geen echte genreconventies en geen verwachtingspatronen. Die vrijheid is uiteindelijk het belangrijkste. Die ervaar je niet als je een column schrijft, of een artikel. En daarnaast heeft mijn keuze ook te maken met het verschil tussen een favoriete dichtregel en een favoriete dichtregel waar je zelf een gedicht mee moet maken.

Maar dat alles meegenomen: goede poëzie zet vaak wel wat in beweging, ja.

Olifantopia Wout WaandersWout Waanders
Olifantopia

(Nijmegen: Wintertuin, 2015)

De website van De Nieuwe Oost

 

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *