Bespreking

‘het programma dat u probeert af te sluiten / is in gebruik.’ – Daniël Vis’ Insect Redux en het 21e-eeuws sublieme

Detail uit Anish Kapoors 'Flayed' (2016)
Detail uit Anish Kapoors 'Flayed' (2016)

Hoe doet de wereld zich aan ons voor?

Is dat een goede vraag? We zouden hem kunnen proberen te herformuleren, bijvoorbeeld als: Hoe ervaren wij de wereld? Maar daarmee zien we meteen al een deel van een antwoord – een mogelijk antwoord. De wereld doet zich voor, in dat geval, als een iets dat wij al dan niet ervaren.

Wanneer Heidegger in het begin van de twintigste eeuw Zijn en tijd schrijft, stelt hij dat de westerse filosofie elk ‘iets’ heeft beschouwd als een object. Een object is een ding met eigenschappen: een hamer is zwaar, de zon is heet, een hamster is schattig. Hij beschouwt dat niet zozeer als een fout, maar wel als een beperkte blik. Een hamer is, voordat wij het als object kunnen beschouwen, iets dat we ter hand kunnen nemen – een hamer is iets waarmee we timmeren.

Intussen zet juist de aldus bedreigde mens een hoge borst op en waant hij zich de heer der aarde.

We hebben die beperkte blik ook op onszelf gericht. De mens valt dan op twee manieren te bekijken: ofwel als degene die kijkt (en al die objecten tegenover zich ziet), ofwel als een van die objecten. Dat begint al bij de Griekse filosofie: een mens is ‘een dier met rede.’ Of, bijvoorbeeld bij Plato, een mens is een dier dat kan dansen. (Wat op hetzelfde neerkomt: Plato beschouwt dansen als het redelijk organiseren, sorteren, van bij dieren ongecontroleerde bewegingen; net als zingen voor hem het organiseren van een dierlijk roepen is.)

Bestanden

Later in zijn leven ziet Heidegger dat zich een andere stap voltrekt: de wereld doet zich niet meer voor als een verzameling objecten (wezens, ervaringen, plaatsen, enzovoort), maar als een bestand. Hij schrijft in De vraag naar de techniek:

Maar een verkeersvliegtuig dat op de startbaan staat is toch een object? Zeker. We kunnen de machine zo opvatten. Maar dan verbergt ze zich in wat en hoe ze is. Alleen als bestand, alleen in zoverre ze is besteld om de mogelijkheid van transport zeker te stellen, staat ze ontborgen op de landingsbaan.

Het vliegtuig is slechts een vliegtuig in de mate waarin het in staat zou zijn te vliegen. Een machine is niet zozeer een ‘zelfstandig werktuig’, zoals bij Hegel het geval is, maar juist iets volstrekt onzelfstandigs, omdat de machine zijn hele bestaan, dat wat hij als machine werkelijk is, ontleent aan het feit dat hij ingezet kan worden. Dat is niet maar een kwestie van ‘hoe we de zaken bekijken.’

De houtvester die in het bos de omgehakte bomen opmeet en ogenschijnlijk net als zijn grootvader op dezelfde manier dezelfde bospaden bewandelt, is vandaag de dag door de houtverwerkingsindustrie besteld, of hij dat nu weet of niet. Hij is besteld in het kader van de bestelbaarheid van celulose, die op haar beurt is opgevorderd door de behoefte aan papier, dat aan kranten en geïllustreerde tijdschriften wordt geleverd.

(We zouden de passage, oorspronkelijk uitgegeven in de jaren ’50, inmiddels kunnen herschrijven met zicht op de bestanddelen voor microchips, hedendaagse brandstoffen, enzovoort.)

Zodra het onverborgene [dat wat ik tot nu toe maar ‘de wereld’ heb genoemd, RtN] de mens niet eens meer als object, maar uitsluitend als bestand aangaat en de mens binnen het objectloze alleen nog de besteller is van het bestand, staat de mens op de rand van de afgrond, namelijk daar waar hijzelf alleen nog als bestand moet worden opgevat. Intussen zet juist de aldus bedreigde mens een hoge borst op en waant hij zich de heer der aarde.

Beheerst de mens de aarde? We zouden recentelijk het antropoceen zijn binnengegaan – een nieuw geologisch tijdperk, om te benadrukken dat de menselijke invloed op zijn leefomgeving inmiddels van zo’n soort is dat die de aarde op grote, om maar niet te zeggen zorgwekkende manieren aantast. Zelfs al zijn we het daarmee eens, wat betreft bijvoorbeeld onze effecten op het klimaat, maakt het ons dan tot heerser? Of worden we, door die invloed die we uitoefenen, niet evengoed zelf beheerst? Je hoort af en toe al de reactie ‘dat het de planeet niets uitmaakt’ hoe we ermee omgaan, maar dat we haar vooral voor onszelf onbewoonbaar aan het maken zijn. Dat klinkt niet erg overheersend.

We noemen het zelfs een burnout als mensen niet meer kunnen werken

Hoe het ook zij: zoals de mens als object bekeken kon worden – wat, overigens, voor gebieden als de geneeskunde een erg vruchtbare zienswijze is gebleken – zo verwordt de mens ook tot bestand, tot bruikbare energie. We herkennen het in het tegenwoordig zo overheersende jargon van efficiëntie, het halen van targets, het feit dat sectoren bestaansrecht hebben in de mate waarin ze nuttige effecten hebben – zoals de literatuur zich tegenwoordig soms naarstig probeert te verdedigen met onderzoeken die stellen dat lezen je ‘empathie verhoogt.’ We noemen het een burnout als mensen niet meer kunnen werken, als ze overwerkt zijn, in plaats van we de werkomstandigheden inhumaan noemen. Misschien is dat nog maar het begin. Hoe ziet de mens eruit wanneer alles langzaam tot een bepaalde vorm van brandstof verworden is?

‘1 joule is gelijk aan …’

Dat brengt me bij Insect Redux, de tweede dichtbundel van Daniël Vis. Insect Redux is de nachtmerrie waar we allemaal al in zitten. Als ik de tijd en ruimte had, zou ik de bundel strikter bespreken als de enige vorm van sublieme lyriek die we welbeschouwd nog zouden mogen accepteren in deze eeuw. Het bestaat uit declaratieve, materialistische zinnen. Het heeft alle opsmuk gestopt waar het sinds de dood van God al lang had moeten zitten (i.e. waar de zon niet schijnt). Het is monomaan feitelijk, het is efficiënt. En het is, op den duur, volstrekt psychotisch.

In een wereld met enkel nog brandstoffen, is elke ‘ik’ uiteindelijk een nogal overbodig onderscheid

Wat gebeurt er wanneer ook de mens tot brandstof verwordt? Wanneer we onszelf beginnen te zien als de verdomde verzameling atomen die we zogenaamd zouden zijn? ‘Steeds meer lijkt [de ‘ik’] bestuurd te worden door een macht van buiten waartegen hij zich niet kan verweren’, schrijft de achterflap. De grap: die macht is de ‘ik’ zelf – of wat ooit een ‘ik’ was. Want in een wereld met enkel nog brandstoffen, is elke ‘ik’ uiteindelijk een nogal overbodig onderscheid, en een onhandige naam voor één stap in het verbrandingsproces waar we voor de lol een ziel aan toe zouden kunnen schrijven. Als bestand staan we klaar te worden benut, zijn we, net als het vliegtuig, volstrekt onzelfstandig.

Lees deze fragmenten en probeer het eens te horen als de muziek waarmee we ons geconfronteerd zouden moeten weten, die we als de onze zouden moeten accepteren, als we ons werkelijk zo technologisch vooraanstaand beschouwen:

1 joule is gelijk aan de energie
die wordt overgebracht op een object
als een kracht van 1 newton, over een afstand van 1 meter
in het verlengde van die kracht, werkt op dat object.

(…)

1 joule is gelijk aan de energie die nodig is om een vermogen van 1
watt te leveren voor de duur van 1 seconde.

(…)

1 joule is bij benadering voldoende om de temperatuur van 1 gram
water met 0,24 graden te verhogen.

(…)

1 joule is gelijk aan de energie die elke 1/60 seconde
in de vorm van warmte vrijkomt uit een menselijk lichaam in rust.

‘sommige exemplaren overleven het onderzoek niet.’

Wat niet wil zeggen dat Insect Redux een verzameling omrekentabellen is. Want zelfs als het punt in het proces waarin wij onszelf (denken te) ervaren een insignificant punt is, dan nog is er verslag te doen van welke vormen die (vermeende) ervaring aanneemt. Door de bundel heen volgen we een ‘ik’ in verscheidene situaties, bijvoorbeeld hier:

ik heb rondjes geknipt uit een spons
en de rondjes vastgemaakt aan het kale koperdraad

het geheel zit vastgetapet aan de beugel
van een koptelefoon

ik druppel water op de sponsjes, zet de beugel
op m’n hoofd en sluit hem aan op een simpele transformator.

het zou uit moeten komen op 800 miliampère
voor een paar seconden.

ik zit klaar,
iets zachts tussen m’n tanden om op te bijten.

‘alles klopt,’ zeg ik tegen mezelf
en ik druk de stekker in het stopcontact.

De vraag of dit nog mooie poëzie is lijkt door elke regel al beantwoord te worden met een, ‘wat geeft dat, wat zou daar het doel van zijn.’ Er wordt een beugel aangesloten op een ‘simpele transformator’, iets dat inmiddels haast een soort dagelijksheid begint te bezitten, je weet wel, een transformator, zoals dat in haast alle kabels van je apparatuur zit. En dat: ‘het zou uit moeten komen op’ – de toekomst al voorgerekend, het hele systeem klaargezet om een, denken we met onze meest vooraanstaande theorieën, te voorspellen situatie te laten ontstaan. Insect Redux laat zien op welke manier we in feite moeten praten als we ons geloof in onze huidige waarden strikt en rigoureus doorzetten.

De ‘ik’ gaat bijvoorbeeld op zoek naar een bril omdat ‘ze’, wie ze ook zijn, niet mogen zien waar hij kijkt.

de man kijkt naar een plek schuin achter me.
ik zet de bril op.

ik hoor de man zachtjes neuriën.

het ritme komt diep in m’n hoofd terecht.

De hele tijd die ervaring van het eigen lichaam, en zelfs het eigen denken, als een proces, systeem, receptief mechaniek. Het ritme komt in mijn hoofd terecht. Niet: ik vang het ritme op, ik hoor het ritme, ik onthoud het ritme. Het komt ergens terecht. Dat dat nu mijn hoofd is, is haast een soort bijzaak.

Of neem zoiets als dit:

de ratten in het laboratorium zijn geselecteerd op verschillende
defecten.

elk genotype is een testgroep.

de testgroepen moeten van elkaar gescheiden blijven.

na de incubatietijd wordt elke rat 2 keer per 24 uur alleen
in een doolhof geplaatst.

het doolhof heeft geen uitgang.
de rat moet een aantal taken uitvoeren.

het experiment wordt gefilmd.
implantaten meten de activiteit in het brein van de rat.

sommige exemplaren overleven het onderzoek niet.

Het zo dode enjambement alleen al: ‘zijn geselecteerd op verschillende / defecten.’ Alsof de defecten juist gewild zijn. De ratten zijn hun defecten: ze zijn relevant voor het onderzoek voor zover ze een onderdeel vormen van een bepaalde groep, daar een exemplaar van vormen, en hun effecten in het onderzoek aan die groep kunnen worden toegeschreven. ‘Sommige exemplaren overleven het onderzoek niet.’

Jammer: misschien minder representatieve statistieken.

‘ikzelf en alles waarop ik reageer kan worden uitgedrukt’

Op een zeker moment komen we aan bij een gedicht van 14 bladzijden beginnend met de regel, ‘voorbij dit punt alleen toegang voor medewerkers.’ Alle gedichten uit Insect Redux zijn redelijk lang te noemen, maar dit is een bizar hoogtepunt, waarbij de beschrijvingen op den duur worden afgewisseld door regels die ik herkende als, onder andere, de axioma’s van wiskundige groepentheorie. Ik zou het haast in z’n geheel willen citeren, maar daar moet men de bundel maar voor lezen. Na de opening volgt het eerste deel:

een molecuul botst tegen de buitenkant van het glazen vat.
er ontstaat een minieme beweging.

het molecuul is niet afkomstig uit het brein of de computer.

vanuit het punt van de botsing verspreidt de beweging zich als golf
door de vloeistof.

de energie reorganiseert de inhoud van het vat.
ergens raakt de golf voor het eerst organisch weefsel aan.

het brein kantelt. de verandering in positie is bijna onmeetbaar.

in een kamer in een flatgebouw
wordt het aantal constante factoren
met een onbekend aantal verminderd.

Ik geloof dat ik mijn mening over de bundel, met deze regels in het achterhoofd, zo zou kunnen verwoorden: als men iets op dit soort regels, dit soort poëzie tegen heeft, dan spreekt dat voor de bundel. Het dichterschap dat de bundel heeft voortgebracht, is er niet een van een aller-individueelste expressie van aller-individueelste emotie: het is een dichterschap dat zich rigoureus onderwerpt aan de wetten van zijn tijd. De poëzie lijkt geen nagejaagd ideaal, maar een vorm van overgave: als dit is hoe het is, dan zij dat zo. Er is geen individu. Er is een productieproces waarin je, of je het wilt of niet, al een radertje bent. Insect Redux is de algemene expressie van ont-individualiseerde emotie.

het brein is aangesloten op een computer die een lichaam
en alles daarbuiten simuleert.

de computer genereert en verstuurt impulsen. het brein reageert.
onder invloed van feedback worden de impulsen aangepast.

ikzelf en alles waarop ik reageer kan worden uitgedrukt
in een veld van grootheden met fluctuerende waardes.

het lichaam draait zich om.
de computer berekent de bijpassende waardes
en past de impulsen aan.

in het brein worden de impulsen verwerkt
en samengevoegd tot een nieuwe, operationele
montage van de omgeving.

Dit is een van de gedeelten waar ik op doel wanneer ik moet denken aan wat het ‘sublieme’ is. Want ja: op een bepaalde manier wordt zelfs deze poëzie ontroerend, maar in hoe het alles een betekenis ontneemt zonder zelfs een leegte achter te laten – subliem omdat het eerder overweldigt, inclusief de bijklank van een bevochten-worden, van een onderdrukking. Dat: ‘ikzelf en alles waarop ik reageer kan worden uitgedrukt / in een veld van grootheden met fluctuerende waardes.’ Het ‘ik’, diens zelf, is in zoveel van deze zinnen een passief iets verworden, dat zelfs in zinnen waarin ‘ik’ het onderwerp is, het over begint te komen alsof ie bestuurt wordt. En het gaat er niet om of zo’n paar regels waarheid is: we leven in een maatschappij waarin zo’n zin als feit geldt. Een ‘ik’ kan daarvan getuigen. En elke ervaring verwordt tot een ‘operationele / montage van de omgeving.’

Het gaat er niet om of dit een ultieme waarheid is: we leven in een maatschappij waarin zo’n zin als feit geldt. Een ‘ik’ kan daarvan getuigen.

Ik hoop dat er iets duidelijk wordt van wat ik daaraan wezenlijk vind, ook in de volgende regels, waarmee ik afsluit, als ik daarbij benadruk dat er naar mijn idee twee lezingen tegelijkertijd om al onze aandacht vragen: de feitelijke, declaratieve, die op elke uitspraak antwoordt met een berekenend ja, klopt. Maar elke keer ja, klopt wekt een ontzettende weerzin op. Hoezo, wil je zeggen, nee, wil je zeggen, maar je hebt zelfs de woorden niet om aan te wijzen ‘waar het fout zit’, omdat zelfs dat hele ‘fout zitten’ in feite een door en door declaratieve en propositionele manier van denken is. Zelfs in de manier waarop je de poëzie zou willen verwerpen ben je vervat in het mentale programma waarmee het je confronteert. Als Insect Redux op een bepaalde manier verlossend werkt, dan is dat in hoe het in de lezer een besef teweeg brengt dat de poëzie ons denken niet zal redden door ‘op nieuwe manieren te spreken’, alsof niet elke vernieuwing een al in technologische groei-vervatte gedachte is, en niet door ‘terug te gaan naar de essentie’, alsof onze essentie niet al een te gebruiken grondstof is. De poëzie laat misschien iets zien, en misschien zelfs het meest in zo’n bundel als deze, hoe iets in het denken al weerstand biedt, zelfs al vul je bladzijde na bladzijde met de een neerslag van de meest doorgevoerde versie van het huidige westerse gedachtegoed.

de frequentie valt net binnen het bereik
dat voor mensen hoorbaar is.

een trilling raakt de binnenkant van m’n schedel
en kaatst terug.

dit is niet wat er daadwerkelijk gebeurt.
dit is hoe ik meemaak wat er daadwerkelijk gebeurt.

er is een trap. op de verdieping boven me gaat een telefoon.
ik loop de trap op.

ik haal m’n voeten van de laatste tree. op de verdieping
boven me gaat een telefoon.

er is een trap.

‘het door u gekozen nummer is om technische redenen
tijdelijk niet bereikbaar.’

de verbinding wordt verbroken.
jim hoort een kiestoon.

in de simulatie komen imperfecties voor. deze zijn
lastig te identificeren.

jim gebruikt de redial-functie. op hetzelfde moment
op 2 verschillende plekken begint iemand te praten.

10. als van 1 van de regels de ongeldigheid is aangetoond
moet van alle voorgaande uitspraken de waarheidswaarde
opnieuw worden vastgesteld.

ze zeggen een identieke zin.

op een 3e plek luistert iemand mee en koppelt stekkers los
uit een schakelpaneel.

ongenummerde kabels. ongenummerde in- en uitgangen.

en koppelt sommige stekkers op andere plekken vast.

de beweging van de vingers kost tijd.

de vitale onderdelen
kunnen zich bij een aanval afschermen van de zwerm.

uit deze onderdelen kan een nieuwe kweek ontstaan.

op dit moment vergelijkt iemand de kenmerken van onze spraak
met de inhoud van een database.

ik hoor een kiestoon.
ik gebruik de redial-functie.

iedereen is een match.

we vertonen overeenkomsten met alle bestaande profielen.

niemand is een match.

Insect ReduxDaniël Vis
Insect Redux
(Prometheus: 2018)

De website van Daniël Vis

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (Joure, 1993) is schrijver. Hij debuteerde met Constellaties (2014) en was laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. Daarna verscheen zijn roman Het leven zelf (2017). Hij publiceerde verhalen, gedichten en essays in bijvoorbeeld Tirade, Revisor en Het Liegend Konijn. In november verschijnt van hem Het woedeboek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *