De Regelname

‘een soort van knooppunt (of wormgat?)’ – Dominique De Groen over Hiromi Itō, losse regels en narratief

Beeld door Roos Vink
Beeld door Roos Vink

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Dominique De Groen, die recent debuteerde bij uitgeverij het balanseer met de bundel Shop Girl (gebaseerd op ervaringen als werknemer van de Primark). Een interview over de aard van narratieve poëzie, niet-lineaire lezingen en een landbouwleerdicht van Vergilius. Lees het bijbehorende gedicht: ‘Rites for an abortive Spring’.

Even as a corpse, her calling was still to protect children

Uit: Wild Grass on the Riverbank van Hiromi Itō

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waar hij uit komt en de dichter die hem heeft geschreven.

Dominique De Groen: Hiromi Itō is één van de belangrijkste hedendaagse Japanse dichters, maar ik kwam haar pas enkele maanden terug toevallig op het spoor. Dat gebeurde via een artikel waarin de positie en geschiedenis van de narratieve, epische poëzie worden uitgespit en waarin er gewag wordt gemaakt van een bescheiden revival van deze vorm (die vandaag de dag heel wat minder populair is dan korte, lyrische poëzie, maar die tot de opkomst van de roman dominant was). Het artikel noemt Itō (en met name Wild Grass on the Riverbank, naar het Engels vertaald door Jeffrey Angles) als één van de dichters die het genre nieuw leven inblazen. Ik heb de bundel meteen besteld en was enorm onder de indruk.

De verschillende gedichten in het boek vormen samen één lang narratief. De ik-persoon is een jong meisje dat samen met haar kleine broer verwaarloosd wordt door haar moeder (die dichter is, uiteraard). De kinderen worden heen en weer gesleurd tussen Japan en California, diverse vaderfiguren verschijnen ten tonele om meteen wegens onduidelijke redenen te sterven (hoewel hun lijken vervolgens als half-levende mummies in huis blijven rondslingeren), en de moeder is te druk bezig met tentakelseks hebben met klimplanten om voor haar kinderen te zorgen. De kinderen brengen hun tijd voornamelijk door tussen het wilde gras op de nabije rivieroever, waar de grenzen tussen mens en plant, leven en dood, op zijn zachtst gezegd ambigu zijn. De vriendschappen die ze sluiten met antropomorfe grassoorten benadrukken hun eigen wortelloosheid nog meer.

De regel die ik koos vind ik enorm sterk en prikkelend. Er wordt meteen een volledige wereld met een geheel eigen logica opgeroepen.

De regel die ik koos verwijst naar Okaasan (niet toevallig Japans voor ‘moeder’), een herdershond die al enkele jaren dood is maar zich hierdoor niet van de wijs laat brengen. Zij is de voornaamste oppasser, beschermer en verzorger van de kinderen.

K: Waarom zou je deze regel zelf geschreven willen hebben?

DDG: Ik zou eigenlijk de hele bundel wel geschreven willen hebben, maar helaas. Ik voel me er enorm mee verwant en merk ook veel raakvlakken met mijn eigen werk, vooral de poëzie waar ik nu aan bezig ben: het narratieve, het groteske, het hyperlichamelijke, de unheimliche planten, de intimiteit met niet-menselijke entiteiten,… Hoewel ik al met al deze dingen bezig was voordat ik Itō’s boek las, heeft haar werk me zeker beïnvloed.

De regel die ik koos vind ik enorm sterk en prikkelend. Er wordt meteen een volledige wereld met een geheel eigen logica opgeroepen. Het is ook een heel intrigerende regel: als je hem los van zijn context lees, stel je je meteen allerlei vragen die je verbeelding automatisch aan het werk zetten. Daarnaast gaat er een grote emotionele kracht van uit. Haar roeping om kinderen te beschermen is zó sterk dat ze zich zelfs door de dood niet laat tegenhouden. Er wordt een sterke band gesuggereerd die levenden en niet-levenden, mensen en dieren, met elkaar verbindt. Dat zorg dragen voor andere wezens over die grenzen heen vind ik heel ontroerend.

K: Wat raak je bijvoorbeeld kwijt door een losse regel te citeren? Hoe ging je daarmee om bij het schrijven van het nieuwe gedicht?

DDG: Ik heb er eerlijk gezegd niet bij stilgestaan tijdens het schrijven, omdat ik niet denk dat je iets kwijtraakt. Een narratief is natuurlijk niet per se een strikt lineaire constructie (die inderdaad onderbroken zou worden wanneer er een stuk uitgehaald wordt); het kan ook de vorm aannemen van een spinnenweb, een collectie van lijnen die worden uitgezet en die samen een patroon vormen. Eerder dan een regel weg te nemen uit een lineaire opeenvolging van regels, heb ik een draadje binnen dat kleverige web op een andere manier verbonden dan voorheen, het geconfigureerd in een andere constellatie.

Eerder is een narratief een collectie van zinnen of regels, gearrangeerd in een web zonder hiërarchie of centrum.

Ik denk hierbij ook aan werken als Thomas Pynchons Gravity’s Rainbow, Samuel R. Delany’s Dhalgren, of zowat alles van Kathy Acker: hoewel ze onmiskenbaar narratief zijn, is in deze werken de verhalende lijn verre van recht of eenduidig, laat ze zich niet grijpen of vatten. Zulk een benadering van het narratieve nodigt uit tot associatie, tot niet-lineaire lezingen. Het narratief is dan geen solide, in zichzelf besloten iets dat zijn waarde haalt uit zijn heelheid en dat waarde begint te lekken wanneer er aan die volledigheid wordt getornd. Eerder is het een collectie van zinnen of regels, gearrangeerd in een web zonder hiërarchie of centrum, waaruit je draadjes kan losmaken en op een ander punt weer vasthechten. Er wordt dan een nieuw patroon gecreëerd, verweven met het al bestaande patroon.

De regel die ik citeer bevat volgens mij een klein narratief op zich, omdat hij een bepaalde wereld oproept en onderlinge relaties tussen personages impliceert. Op dit mini-narratief heb ik zelf voortgebouwd. Zo vormt deze regel een soort van knooppunt (of wormgat?) dat ons van het ene naar het andere narratieve universum kan transporteren, binnen een gigantisch en uitdijend web van (potentiële) narratieven.

K: Het artikel dat je aanhaalt definieert narratieve poëzie als poezië met 1) karakters, 2) een zekere zin van plaats, 3) een zekere mate van verhalende lijn. Op welke manier is een ‘verhalende lijn’ iets dat voorbijgaat aan de som van de losse regels?

DDG: Ik denk niet dat een verhalende lijn zich niet laat reduceren tot de som van de losse regels. Volgens mij bestaat die precies uit de som van deze regels, die door de lezer op een bepaalde manier worden geïnterpreteerd, met elkaar in verband worden gebracht en zo al dan niet tot een narratief worden gemaakt. Die narratieve verbanden moeten we dus niet zien als absoluut of onveranderlijk. Anders verzanden we volgens mij al snel in een essentialistische visie waarin ieder narratief een soort van mysterieuze kern bevat die slechts aangekleed of versierd is met de regels en woorden waaruit het bestaat. In feite zijn de regels zelf het enige wat we hebben, het enige wat we werkelijk ervaren wanneer we een gedicht lezen. In die optiek is het gedicht, ook het narratieve gedicht, nooit onveranderlijk, heel en gesloten geweest, en bevat het dus ook geen kern die eruit zou kunnen weglekken.

In feite zijn de regels zelf het enige wat we hebben, het enige wat we werkelijk ervaren wanneer we een gedicht lezen.

Daarnaast kan er natuurlijk ook geen strikt binair onderscheid worden gemaakt tussen narratieve en niet-narratieve poëzie: niet alleen gaat het eerder om een glijdende schaal, bovendien hangt wat als narratieve poëzie gelezen kan worden hangt bijna even sterk af van de lezer als de auteursintentie. Om die reden ben ik het niet helemaal eens met de definitie die in het artikel wordt geponeerd: ze laat volgens mij te weinig ruimte voor ambiguïteit en subjectiviteit. Eén van mijn favoriete narratieve gedichten is Vergilius’ Georgica, zijn leerdicht over de landbouw. Dit gedicht voldoet geenszins aan de drie genoemde voorwaarden, maar voelt voor mij wel heel verhalend aan. Narrativiteit laat zich niet reduceren tot een checklist; het is ook iets actiefs, iets wat door de lezer ervaren en mee geconstrueerd wordt. Laten we daarbij ook niet vergeten dat poëzie is ontstaan als een orale, collectieve vorm.

Het narratieve in poëzie is dus misschien iets dat vooral vorm krijgt in de praktijk, niet in een daaraan voorafgaande theorie. Daarom kan ik het alleen hebben over hoe narratieve poëzie voor mij persoonlijk werkt. Het lange, verhalende gedicht staat me toe om een narratieve lijn uit te werken op een associatieve, intuïtieve manier; biedt ruimte voor de radicale, transformatieve werking van de verbeelding; vormt een poreus kader waarin flarden van de buitenwereld kunnen binnensijpelen en tot bloei komen, of net wegrotten voorbij alle herkenning, als prooien in het narratieve web; leent zich tot het uitwerken van terugkerende motieven, die de tijd krijgen om zich langzaam te ontvouwen. Die motieven zie ik als een soort van slierten (of tentakels, om in de sfeer van Itō’s tekst te blijven) die de lezer met elkaar kan verweven – of net lekker los kan laten hangen wapperen.

Shop Girl CoverDominique De Groen
Shop Girl
(Gent: het balanseer, 2017)

De website van Dominique De Groen
De website van het balanseer

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *