Bespreking

‘Ondanks het feit dat hij haar niet kan zien’ – Edwin Fagel en de vraag van die altijd weer goddelijke vrouw

Alberto Giacometti - Detail van een van de schilderijen van Annette
Alberto Giacometti - Detail van een van de schilderijen van Annette

In een essay, ‘De goddelijke kut. Kunst en poëzie als mystieke daad’, dat vier jaar geleden in Revisor verscheen, zegt Edwin Fagel naar aanleiding van een gedicht van Sasja Janssen dit:

Ze zoekt naar een werkelijkheid tussen deze twee werkelijkheden in: een niet-verzonnen, niet echte werkelijkheid. Een, zou je kunnen zeggen, heilige werkelijkheid.

Even verderop noemt hij dat een ‘mengvorm tussen wat ‘in scène’ en wat ‘echt’ is,’ waardoor je je zou kunnen beginnen af te vragen wat het nou is: verzonnen noch echt, of verzonnen en echt? En waarom zou je dat heilig noemen?

Niet-noch, zowel-als

Het oscilleren tussen die twee formuleringen, niet X noch Y, zowel X als Y, is een figuur die, na al een tijdje in de mystieke literatuur in zwang te zijn geweest, in het laatmoderne denken vaker opduikt. Een filosoof als Jacques Derrida weet hem vervolgens zelfs terug te vinden in de Timaeus van Plato.

Het woord ‘heilig’ kan ons daar misschien ook juist bij helpen, als we het een Joodse of Christelijke lading geven: het Hebreeuwse woord dat in het Oude Testament vaak vertaald wordt als ‘heilig’, heeft een betekenis verwant aan ‘apartgezet.’ Iets is heilig omdat het is voorbehouden – bijvoorbeeld aan God. Als we de heilige werkelijkheid lezen als dat deel van de werkelijkheid dat apart is gezet, kunnen we de oscillerende formuleringen, niet-noch/zowel-als, misschien beter begrijpen. De verdeling echt/verzonnen lijkt alle werkelijkheid op te delen – wat niet echt is, is verzonnen, wat niet verzonnen is, is echt. Met zo’n begrip als een ‘heilige werkelijkheid’ kan iemand als Fagel proberen ruimte te maken: apartgezette werkelijkheid, die niet goed in die verdeling kan worden ondergebracht.

Je kunt herhalen wat je wilt dat God aanwezig is in zijn afwezigheid, of Gods aanwezigheid afwezig is, enzovoort, en het zal bij woorden blijven.

Waarom zouden we daar ruimte voor willen maken? Bijvoorbeeld omdat die verdeling zelf, ‘verzonnen/echt’, een ‘verzonnen’ onderscheid is. Dat maakt het onderscheid nog niet onecht – het begrip ‘onecht’ is immers iets dat we pas kunnen begrijpen nadat we het onderscheid al hebben gemaakt. Het idee van een ‘heilige werkelijkheid’ kan ons misschien van dienst zijn in het nadenken over werkelijkheid die niet goed in het onderscheid te vatten is, of over wat we kwijtraken zodra we het onderscheid maken. Fagel zelf heeft het in dezelfde context ook over gekte – dat wat niet begrepen of geaccepteerd wordt.

Dit is allemaal nog niets nieuws; er is een hele traditie aan niet perse gelovige, niet perse atheïstische schrijvers, dichters, en denkers die een God proberen aan te spreken in Zijn afwezigheid. (‘God kan in de schepping alleen tegenwoordig zijn door zijn afwezigheid’ – Simone Weil. ‘Door te zeggen dat God niet is, heb ik hem het Zijn niet ontzegd; ik heb het Zijn in hem verhoogd’ – Meister Eckhart.) Met andere woorden: je begeven binnen herkenbare mystieke vormen van denken, betekent wellicht nog niet dat je iets zinnigs aan het zeggen bent. Je kunt herhalen wat je wilt dat God aanwezig is in zijn afwezigheid, of Gods aanwezigheid afwezig is, enzovoort, en het zal bij woorden blijven. Het moeilijkste aan wat we misschien maar even ‘mystieke poëzie’ moeten noemen is dat het niet kan blijven bij het verklaren of declareren van bepaalde ‘waarheden.’ De reden om mystieke poëzie te schrijven is misschien juist precies die: dat het slechts zeggen van die waarheden niet genoeg is, je moet het zeggen op zo’n manier dat er door dat zeggen iets gebeurt, iets plaats kan vinden, wat dat ook moge zijn of betekenen.

St. Stem

Ik val terug op deze wat lange aanloop omdat ik me afvraag of de poëzie in Edwin Fagels het extatische landschap in dat doet. Beter gezegd: of die dat voor mij doet, want het zal vast behoorlijk individueel zijn, dat oordeel. Ik doel op strofen als deze:

vreemd is me de vorm waarin Ze materie vindt
waarin Ze gebeurt & mij gebeurt want daar
ontbreekt & doorschijnt Ze me
daar heft Ze me op

Ja ja, denk ik terwijl ik het lees. Ik herken de mystieke omkeringen, de opheffing van het zelf, of mijzelf, het materie-vinden van dat wat (zoals in weer een ander gedicht benadrukt) ‘buiten tijd & plaats [staat]’, enzovoort. Maar waartoe? Wat zegt het méér dan wat ik al herken?

Elders springt mijn geest wél even op:

Ze heeft geen taal
maar Ze heeft een
st stem

Die stotter, ‘st stem’, die tegelijkertijd van de stem een St. Stem maakt, een heilige stem, dat is wel een vondst. Maar wanneer dat vervolgd wordt door

Ze is on-
stoffelijk
maar Ze
heeft een lichaam

Dan weet ik weer niet wat ik daarin lezen moet. Ik zie de tegenstrijdigheid (‘Onstoffelijk maar toch lichamelijk? Wat voor lichaam moet dat wel niet zijn!’), begrijp dat er daarmee ruimte gemaakt wordt voor iets anders, iets dat moeilijker benoembaar is. Ik zie ook de lichte opschudding doordat ‘on-/stoffelijk’ is afgebroken. Maar het doet me niets. Misschien is dat geen commentaar op Fagels gedichten. Ik ben ze in elk geval amper aan het ‘recenseren’. Ik ben me aan het afvragen wat het is aan mystieke poëzie dat me soms zo veel, soms zo weinig deren kan.

Even terug naar die ‘st stem’, misschien. Het doet me denken aan wat Emmanuel Levinas zegt naar aanleiding van de uitspraak van Paul Celan, dat hij weinig verschil ziet tussen een gedicht en een handdruk: ‘een kinderlijk stotteren van het vertoog, een goed onhandige interpolatie in het bekende ‘sprekende taal’, in het bekende ‘die Sprache spricht.’ Levinas laat Celan daar reageren op Martin Heidegger. Die laatste benadrukt dat, willen wij iets met de taal zeggen, de taal ‘zelf’ al moet bestaan – zelfs als de taal niets anders is dan wat wij zeggen. We maken gebruik van taal, en veronderstellen haar betekenis, wanneer we iets proberen te bedoelen. Een dichter is, volgens Celan dan, iemand die die sprekende taal, doet stotteren, iemand die niet zozeer iets bedoelt alswel het onophoudelijke automatisme van betekenis even doet schokken, en ons daarmee confronteert met iets anders – iets, laten we het zeggen (zelfs in het geval van Celan, die na de shoah zo weinig anders kon dan doorgaan te spreken), heiligs.

Ik voel het niet of nauwelijks stotteren. En zoals ik al aangaf: ik kan moeilijk aanwijzen of dat door mij of door de gedichten komt.

Een handdruk. Een groet van mens tot mens, een poging iets individueels in de taal achter te laten, zelfs al is de taal juist dat wat we delen, wat onze individualiteit zo goed als uitwist. In welk geval een dichter toch vooral moet proberen te schrijven op een hoogst individuele (wat iets anders is dan originele, hoewel het er misschien op lijkt) manier.

Heb ik dan het gevoel dat Fagel dat niet doet? Niet voor mij? Zie ik er geen handreiking in? Ik voel het niet of nauwelijks stotteren. En zoals ik al aangaf: ik kan moeilijk aanwijzen of dat door mij of door de gedichten komt. (Wie mist er als twee handen, in een poging elkaar vast te pakken, naast elkaar grijpen?)

Welke half-geschikte naam

Dat ik de mystieke bewegingen of formuleringen vooral loop te herkennen, kondigde Joost Baars, die tijdens de presentatie van het extatische landschap in enkele woorden sprak, in feite al aan:

Je krijgt [als lezer] een gestalte (…) die alle vragen die er bestaan rond goddelijkheid, vrouwelijkheid, creativiteit, hoop en wanhoop in een ander daglicht stelt. En wat ik ook sterk vind: Edwin lepelt die vragen niet op. Dat werk is aan de lezer, die volslagen vrijelijk ervoor kan kiezen dat werk te doen. Of niet. Het is daarom ook een veeleisende bundel, een kwetsbare ook, met een levensgroot risico op onbegrip.

Dat kan ik dus beamen – en dat bedoel ik heus niet flauw of cynisch. Maar in datzelfde stuk zei Baars iets wat me misschien, toch nog, helpen kan een eigen vraag op te lepelen, wat werk te verrichten:

Toen ik Edwin leerde kennen, ergens in de tweede helft van de jaren ’90, schreef ik over verlies, en Edwin schreef over een vrouw. Een bestaande. Ik kende haar niet, en hij vertelde ook zelden over haar. Ik vroeg me, denk ik, vooral af waarom hij haar niet gewoon uit zijn hoofd zette. Wat ik me toen nog niet realiseerde, en ik denk dat Edwin het ook nog niet door had, in elk geval nog niet zo goed als nu, was dat die vrouw in zijn gedichten toen al niet zomaar de werkelijk bestaande vrouw was waar hij haar destijds op baseerde. Ze was, ook toen al, God, of Christus, of het goddelijke, of welke half-geschikte naam je er maar aan wilt geven.

Misschien is het extatische landschap in wat dat betreft makkelijker te lezen als je hem inderdaad ter hand neemt als een bundel die op een mystieke wending volgt – hoewel Fagel in een interview, elders, ook heeft aangegeven dat de vraag ‘wat er dan wél was’ bleef hangen na hij rond zijn vijftiende van zijn katholieke geloof viel. Een mystieke wending, dan, die volgt op een atheïstische of ex-katholieke wending. Een wending die niet precies terugkeert naar dat katholieke geloof, zelfs al herneemt het de figuren ervan. Christian Wiman verwoordt dat in zijn memoires, My Bright Abyss, erg sterk:

There is no way to “return to the faith of your childhood,” not really, not unless you’ve just woken from a decades-long and absolutely literal coma. Faith is not some half-remembered country into which you come like a long-exiled king, dispensing the old wisdom, casting out the radical, insurrectionist aspects of yourself by which you’d been betrayed. No. Life is not an error, even when it is. That is to say, whatever faith you emerge with at the end of your life is going to be not simply affected by that life but intimately dependent upon it, for faith in God is, in the deepest sense, faith in life—which means that even the staunchest life of faith is a life of great change. It follows that if you believe at fifty what you believed at fifteen, then you have not lived—or have denied the reality of your life.

De vrouw in Fagels gedichten is ‘niet zomaar de werkelijk bestaande vrouw’ waarover hij wellicht ooit schreef, aldus Baars. ‘Niet zomaar’, dat wil ook zeggen: niet niet. Het is óók de bestaande vrouw. Maar óók ‘God, of Christus, of het goddelijke, of welke half-geschikte naam je er maar aan wilt geven.’

Gympen en een zomerjurk

Dat is, naast een mogelijke opening voor een mystieke poëzie, natuurlijk een eeuwenoude troop: de vrouw als onbereikbare, goddelijke, etc., figuur. Een niet ongevaarlijke, ook, niet zonder mogelijk schadelijke gevolgen. Maar laten we Baars eens op zijn woord nemen, ons afvragen in welk (andere) daglicht Fagels gedichten dat figuur zetten. Misschien aan de hand van ‘licht & donker’:

pulserend in Haar aan- & afwezigheid verscheen
Ze in het museum waar ik maria-

beelden bekeek o Ze had een zomerjurk aan
& gympen aan & ik durfde niet

ik durfde Haar niet te zeggen
hoe mooi ik Haar vond o jezus

Haar haar bewoog opvallend echt
& in het lichtend firmament

tekende zich Haar torso af
& in Haar donkere gezicht

openden Haar zwarte lippen zich
als de zon

& Ze begon met brandende stem te spreken
zijn onze definities van het zijn voldoende

verschillend ja dan is het oké
je te vermoorden

Ze draaide
Zich om & ik volgde Haar

naar een ruimte
waar het licht & donker was

Ze ontblootte Haar borsten & spoot
Haar melk in mijn opengesperde mond

Kunnen we hier meer zien gebeuren dan wat we, wellicht, al te vaak gezien hebben – een mannelijke dichter die een vrouwelijke voorbijganger (zomerjurk, gympen) aanziet voor (een) god? Is dit niet al te vaak gebeurt?

Ik herinner me nu een passage uit Giorgio Agambens The Time That Remains, een commentaar op de Romeinenbrief van de apostel Paulus waarin hij het heeft over het onvergetelijke, of over een specifiek soort onvergetelijke: niet dat wat niet herinnerd wordt, maar dat wat niet herinnerd kan worden. Dat wat, omdat het nooit onthouden is, misschien ook niet geregistreerd, zelfs de kans niet krijgt te worden vergeten:

In every instant, the measure of forgetting and ruin, the ontological squandering that we bear within ourselves far exceeds the piety of our memories and consciences. But the shapeless chaos of the forgotten is neither inert nor ineffective. To the contrary, it is at work within us with a force equal to that of the mass of conscious memories, but in a different way. Forgetting has a force and a way of operating that cannot be measured in the same terms as those of conscious memory, nor can it be accumulated like knowledge. Its persistence determines the status of all knowledge and understanding. (Mijn nadruk)

Waarmee ik terugkeer bij het oscilleren waarmee ik begon, en in feite bij een manier van lezen die door Edward Said wel ‘contrapuntaal’ genoemd is. Als ik in Fagels gedicht de troop lees waarin een vrouwelijke voorbijganger tot De Vrouw, tot godin gemaakt wordt, dan is er ook de mogelijkheid – met meer moeite, misschien – te lezen wie of wat hier verloren raakt. De ‘werkelijke vrouw’, die zelfs door de beschrijving ‘werkelijke vrouw’ niet echt wordt benoemd, die door het gedicht, als het ware, vergeten is, is ook actief in het gedicht. Fagel zegt zelf al van de verschijning dat ze ‘pulserend in Haar aan- & afwezigheid verscheen.’

Hij geeft er blijk van, ja, dat hij zijn vrouwelijke, goddelijke gedaante ook alleen maar kan zien langs deze wellicht zeer werkelijke, gympen-dragende vrouw, ergens in een museum.

Kunnen we, over een bundel waarin een mannelijke dichter elk vrouwelijke voornaamwoord van een kapitaal heeft voorzien, misschien iets anders zeggen dan dat het slechts een eeuwenoude troop herhaalt? Kunnen we het, bijvoorbeeld, misschien lezen als eerlijkheid over een zekere mannelijke feilbaarheid? Hij geeft er blijk van zelf aan die clichés onderhevig te zijn, en tegelijkertijd van dat hij zijn vrouwelijke, goddelijke gedaante ook alleen maar kan zien langs deze wellicht zeer werkelijke, gympen-dragende vrouw, ergens in een museum, die hij daarmee gedeeltelijk uitwist.

De vrouw wordt niet pas onderdrukt doordat dit beeld herhaald wordt, de vrouw is al onderdrukt door dit beeld; de vrouw wordt door onze cultuur al lang vernederd en verheven tot hoer en godin, daar hebben we Fagel niet voor nodig. Vandaar dat iemand als Radna Fabias zoveel moeite moet doen om de vrouw als vrouw, als mens, weer ‘terug te schrijven’, weer op te graven van onder al die clichématige verheerlijking en een vernedering, in een gedicht als ‘gieser wildeman’:

gieser wildeman is een stoofpeer
ik ben een vrouw
dat is het dak van een drie eeuwen oud huis
ik ben een vrouw
dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas het vocht en de perzik en elk ander handzaam, zacht, zoet, sappig fruit want ik ben een vrouw en dat is het brilmontuur van een man van gemiddelde intelligentie maar ik
ben een vrouw en in mijzelf genoeg
er is geen leegte in mij
er is wel een schuilplaats een voorkamer een wachtruimte een plek
waar ik iemand kan ontvangen:
een man
het begin van een kind
de vingers van een vrouw
toch heb ik aan mezelf genoeg het maakt niet uit
hoeveel postmoderne gendertheorie ik aan mijn heupen hang het is aan mij te zien: ik ben een vrouw ik zou kunnen bestaan naast een man maar een man is geen lichaam
een man is geen brommende bastonen geen lage stem dikke armen stroeve vingers dikke huid geen baard een man is geen baard een man is ook geen vagevuur een man is geen lot een man is geen huis om in te wonen een man is geen bed om op te liggen een man is geen werkverschaffing een man is geen afleiding een man is geen arbeidstherapie een man is geen raspaard een man is meer dan aanbiddende ogen in een gestolen nacht een man is geen kofferbak geen zwaailicht een man is geen diepe buiging voor mijn kruis een man heeft ook gevoelens
denkt ook na
heeft ook pijn
soms weet hij zelfs waarom hij pijn heeft
een man is
geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

een man is geen hobby
een man is geen hobby
een man is geen hobby

een man is geen strafregel
een man is geen troon om met gekruiste benen op te zitten als een dame
ik ben geen dame
ik ben een vrouw

Maakt ook Fabias hier niet gebruik van het feit dat de dichotomie en hiërarchie tussen man en vrouw al in onze cultuur verankerd is? Niet om die hiërarchie in stand te houden, ik benoem het niet als tekortkoming. Ik benoem het als noodzakelijke beweging – die hiërarchie eerst te erkennen, voordat je er iets mee of tegen kunt doen.

Op een soortgelijke manier kunnen we Fagel misschien lezen als iemand die simpelweg getuigenis aflegt: hij loopt door een museum, ziet een vrouw in gympen en zomerjurk, maar hij ziet haar niet, hij ziet Haar. Door Haar te benoemen in pulserende aan- en afwezigheid lijkt Fagel iets te erkennen van die vrouw, die daar loopt, die daar gelopen moet hebben, hoewel hij haar niet heeft gezien omdat ze meteen bedekt werd door dat ‘goddelijke’ beeld dat er van vrouwen bestaat, of door een specifiek goddelijke Vrouw van Fagel. Iets dat niet alleen kwaad in de zin heeft, ook als het soms veel kwaad heeft aangericht (op het moment dat het massaal en normatief wordt, wat Fagel, in zijn eentje, nog niet is). Fabias schrijft het ook: ‘ik ben helaas het vocht en de perzik en elk ander handzaam, zacht, zoet, sappig fruit want ik ben een vrouw.’ Zelfde soort beweging, dit keer benadrukt met een helaas.

Waarom zou ik zo’n beweging, het gebruikmaken van de hiërarchieën waaraan je misschien wilt ontsnappen, noodzakelijk noemen? Ik bedoel het zoals in een van de eerste ‘definities’ van deconstructie die Jacques Derrida geeft – voordat het woord bedolven werd door zoveel secundaire literatuur, zoveel ‘postmoderne’ theorie dat het haast betekenisloos werd:

[Deconstruction] is to avoid both simply neutralizing the binary oppositions of metaphysics and simply residing within the closed field of these oppositions, thereby confirming it.

Derrida benadrukt vervolgens dat als we –  wanneer we voorbij zouden willen gaan aan een bepaalde oppositie (zoals man/vrouw, echt/verzonnen, etc.) – simpelweg meteen voorbij die oppositie springen, we in feite vergeten dat die oppositie geen ‘vredig samenleven van een vis-à-vis, maar een geweldadige hiërarchie is.’ Als we te snel aan opposities voorbijgaan, verliezen we onze grip, en verandert er in feite niks:

To deconstruct the opposition, first of all, is to overturn the hierarchy at a given moment. To overlook this phase of overturning is to forget the conflictual and subordinating structure of opposition. Therefore one might proceed too quickly to a neutralization that in practice would leave the previous field untouched, leaving one no hold on the previous opposition.

Willen we grip blijven houden op de oorspronkelijke oppositie, die we willen tegenwerken, dan zullen we hem eerst in het spel moeten brengen. We kunnen niet voorbijgaan aan man-vrouw-hiërarchie door maar simpelweg voorbij te gaan aan het feit dat die hiërarchie – en daarmee het verschil tussen die twee termen – werkelijk bestaat. Vandaar dat Fabias schrijft: ‘het maakt niet uit / hoeveel postmoderne gendertheorie ik aan mijn heupen hang het is aan mij te zien: ik ben een vrouw.’ Dat wil niet zeggen dat ze het zonder meer is. Het liefst zou Fabias, wellicht, zeggen: ik ben gewoon, net als iedereen, een mens. Maar dat simpelweg verklaren doet de hiërarchie tussen man en vrouw niet teniet, Fabias wordt herkend als vrouw, het ‘is aan haar te zien.’

Op dezelfde manier zou Fagel misschien wel voorbij hebben kunnen gaan aan de troop die van vrouwen godinnen maakt, maar zou hij daarmee ingaan tegen die troop? Of zou hij simpelweg negeren dat die troop bestaat? Hij moet zich op het terrein van die beelden begeven wil hij er, mogelijk, iets anders mee doen.

Tegelijkertijd kan het niet slechts blijven bij het aanhalen van de hiërarchie, zoals Derrida ook schrijft:

That being said—and on the other hand—to remain in this phase is still to operate on the terrain of and from within the deconstructed system. By means of this double (…) writing, we must also mark the interval between inversion, which brings low what was high, and the irruptive emergence of a new “concept,” a concept that can no longer be, and never could be, included in the previous regime.

Er is maar één term in Fagel die kandidaat kan zijn voor een derde term, die niet precies te reduceren is tot de oorspronkelijke verdeling, en dat is het heilige, dat wat noch verzonnen, noch echt is, of beide. Een beetje zoals Fabias in ‘oorlog’ schrijft over een andere man-vrouw verhouding, waarin de man consequent met ‘vijand’ wordt aangeduid, zo consequent dat zijn mannelijkheid in feite niet eens benoemd wordt (maar hoeft die op dat moment nog benoemd te worden?) – waarna het gedicht zo eindigt:

het is goed om naast de vijand te slapen zei een moeder ooit
doch het is veel beter om mét de vijand te slapen
het is alleen geen gezicht want in dit weinige licht
heeft hij geen gezicht en zijn schaduw
lijkt een beetje op de mijne

Kunnen we zoiets niet ook bij Fagel herkennen? Een lichte, ontzettend lichte suggestie van een bepaalde, beoogde gelijkheid? Zijn gedicht eindigde met een van de meest mannelijke beelden die je aan een vrouw lijkt toe te kunnen schrijven: in een ruimte, nu niet met weinig licht, maar die gelijktijdig ‘licht & donker’ is, waar zowel de Vrouw als de vrouw naast elkaar proberen te bestaan, misschien, schreef hij immers, ‘Ze ontblootte Haar borsten & spoot / Haar melk in mijn opengesperde mond’. Misschien ligt het aan mijn eigen voorkeuren dat ik dat eerder als een fallische beschrijving lees. Maar die mogelijkheid bestaat. En daarmee een van de meest kleine pogingen de vrouw en man op een gelijke plek te zetten.

Ik bedoel geloof ik dit: dat Fagel inderdaad de troop herhaalt waarin vrouwen tot Godinnen worden gemaakt. Maar dat hij haar, misschien, daarmee ook op de plek probeert te brengen waar mannen van oudsher al zijn neergezet.

In een ander gedicht van Fagel overkomt me iets soortgelijks:

& misschien

& misschien ziet mijn god uit naar mij & heeft Ze
op weg naar de deur iets lichts in Haar tred &
misschien doet Ze me open & opent Ze de zon
& als Ze me aanziet laat Ze me zien

& misschien heeft mijn god een huid zo breekbaar
als een spiegel & ruik ik Haar geur door Haar trui
als ik in Haar armen eindeloos aan Haar denk

(waar ga ik naartoe
à Vous
à Vous
naar U naar U
naar U ga ik toe)

& misschien verandert wat ik denk in
een vogel vliegt om-
hoog beweegt zich

Het is een van de gedichten waarin de Vrouw de kans krijgt even U te worden, even werkelijk de plek in te nemen die God in zoveel gebeden heeft; een van de momenten in de bundel waaruit de vrouw niet slechts het onderwerp blijkt. Tegelijkertijd zien we een mengsel van gebeds-achtige aanspreekvormen en dagelijksheid (de trui, de tred). Daarnaast kan ik niet anders dan Reve op de achtergrond lezen:

Bekentenis

Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen

En:

Dagsluiting

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U.

Fagel zet die geschiedenis van de goddelijke vrouw misschien inderdaad in een ander daglicht, door haar te vermengen met een traditie die God alleen in zijn afwezigheid aanspreekt, en door zijn aanspreekvormen te vermengen met ontzettend alledaagse beschrijvingen (‘gympen’, ‘zomerjurk’, ‘iets lichts in Haar tred’). Zoals Reve tot een God bidt waarvan hij maar soms kan geloven dat Hij ook hem zoekt, kan Fagel wellicht alleen tot een Vrouw spreken waarvan hij slechts kan hopen dat ze – ondanks het feit dat hij haar niet kan zien zoals ze is gewoon als vrouw, gewoon als mens – hem zoekt, zoals hij haar.

Want iemand die het extatische landschap in aandachtig leest zal evengoed moeten erkennen dat Fagel nergens van Haar zegt, nooit zonder meer, dat ze bestaat. Met andere woorden: hij voert de vrouwen-zijn-godinnentroop zo ver als mogelijk – tot aan diens eigen dood. Als alle vrouwen goden zijn, en God dood is, of in elk geval slechts aanwezig in Haar afwezigheid, dan ontstaat er misschien ruimte voor die werkelijkheid die we ooit vergeten waren, toen we van alle vrouwen godinnen maakten: een heilige werkelijkheid, inderdaad, apartgezet, waarin allerlei niet-mannelijke wezens rondlopen waarvoor we normaliter geen fatsoenlijke naam meer hebben, omdat we hen hun naam hebben afgenomen en die tot afgod hebben gemaakt. Een heilige werkelijkheid waarin niet-Vrouwelijke vrouwen bestaan die gewoon weer gympen en zomerjurken dragen, en misschien zelfs mooi kunnen zijn – gewoon mooi.

Een heilige werkelijkheid waarin niet-Vrouwelijke vrouwen bestaan die gewoon weer gympen en zomerjurken dragen, en misschien zelfs mooi kunnen zijn.

Waarmee ik niet wil zeggen, volstrekt niet, dat ik niet vind dat Fagel daarmee een grens opzoekt die enkel lovenswaardig is. Maar het is misschien, in elk geval, een grens die actuele, urgente termen op scherp stelt. En daarmee is zijn bundel wellicht, volstrekt afgezien van ‘goed’ of ‘slecht’, simpelweg de moeite waard te lezen. (Loopt niet elke bundel die iets wezenlijks probeert te zeggen, aan alle kanten risico’s?). Lees bijvoorbeeld ook dit:

koningin

vastgebonden lig Je & geblinddoekt
& alle mannen zingen

sanctus sanctus

ze dragen allemaal dezelfde naam
& ze lopen allemaal als ik

zingend rond Je bed
& ze zingen sanctus

ik zet mijn mes
ik zet mijn mes in het vlees van Je zij

(vinger in de wond)

dan storten alle mannen
zich zingend op Je rillende lijf
scheuren ze Je lichaam open

Je lippen liggen
in een gelukzalige lach

sanctus zingen we
& we zijn voldaan
& we zijn gelukkig

Dit is in zijn extremiteit niet meer slechts een herhaling van een bepaalde troop. De juxtapositie van het openscheuren van het lichaam met de gelukzalige lach is amper nog verheerlijkend, en je komt er als lezer, als heteroseksuele, mannelijke lezer wellicht ook (‘ze lopen allemaal als ik’), niet meer onderuit wat dit beeld met de vrouw doet. Het einde, voldaan en gelukkig, krijgt ook een onvermijdelijke cynische lading.

Misschien keert de vrouw, de onverheerlijkte, onbeschreven en onbekeken vrouw, terug in de negatieve ruimte die het gedicht overlaat; de gedichten zijn overduidelijk verheerlijkingen en idealisaties, en die idealisaties zorgen ervoor dat je ze niet meer simpelweg kunt verwarren met de gebruikelijke werkelijkheid. De vrouw in Fagels gedichten is noch echt, noch verzonnen, of echt en verzonnen: en daarmee geen puur verzinsel, zoals zo vaak. Je kunt het extatische landschap in lezen om overdadig, overdreven getrakteerd te worden op het cliché waaronder vrouwen al eeuwenlang worden begraven, en om op die manier misschien ook een glimp te zien van wat er onder al die lagen overblijft. Of zoals Agamben schrijft:

If man, the indestructible, can be infinitely destroyed [een definitie van Blanchot], this means that there is no human essence to destroy or recover, that man is a being who is infinitely missing himself and is already divided against himself. But if man is that which may be infinitely destroyed, this also means that something other than this destruction, and within this destruction, remains, and that man is this remnant.

Misschien is de enige definitie die de poëtische traditie, die Fagel aanhaalt, aan de vrouw kan geven: dat wat oneindig vergoddelijkt kan worden. De heteroseksuele, mannelijke dichter is nooit klaar haar nog idealer en ideëler te bezingen. Zelfs als je haar, tegenwoordig, zo ‘gewoon’ mogelijk zou proberen te beschrijven, dan is dat alleen omdat tegenwoordig het gewone, echte, dagelijkse wellicht de plaats heeft ingenomen van wat ooit goddelijk was. Daarmee is een vrouw voor dit type dichter of dit type poëzie essentieloos, oneindig onbereikbaar. Maar als een vrouw inderdaad oneindig vergoddelijkt kan worden, dan is de vrouw, zelfs binnen deze traditie, ook altijd nog iets anders dan goddelijk. Fagel laat, zelfs als zijn bundel zich in deze traditie nestelt, wellicht iets zien van wat er, op de uiterste grens van die oneindige vergoddelijking, van vrouwen overblijft.

Edwin Fagel, het extatische landschap inEdwin Fagel
het extatische landschap in
(Nieuw Amsterdam: 2018)

De website van Nieuw Amsterdam
De website van Edwin Fagel

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (Joure, 1993) is schrijver. Hij debuteerde met Constellaties (2014) en was laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. Daarna verscheen zijn roman Het leven zelf (2017). Hij publiceerde verhalen, gedichten en essays in bijvoorbeeld Tirade, Revisor en Het Liegend Konijn. In november verschijnt van hem Het woedeboek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *