De Regelname

‘Het tonen van minder sexy zaken als vernietiging, gebrokenheid, verdriet’ – Radna Fabias over menszijn, feilbaarheid, trots en afgeprijsde bordeaux

Beeld: Suze Hoek
Beeld: Suze Hoek

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Radna Fabias. Ze debuteerde dit jaar met Habitus en dat is niet onopgemerkt gebleven. Naast een scala aan lovende recensies won ze de C. Buddingh-prijs voor het beste debuut, en recentelijk gebruikten Volkskrant en NRC haar dichtregel over Arnon Grunberg in hun recensies van Goede mannen. Als dat geen levende poëzie is?

Lees hier het bijbehorende gedicht.

I’m the body of the queen of my hood filled up
with bad wine bad drugs mu shu pork

Uit: ‘Let me handle my business, damn’ van Morgan Parker

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waaruit hij komt en de dichter die ze heeft geschreven.

Radna Fabias: De regel komt uit het gedicht ‘Let me handle my business, damn’ van Morgan Parker. Die titel is al een tijdje bij me. Ik heb hem ooit op een stuk papier genoteerd en op de muur in mijn werkkamer geplakt. Ergens tussen een afbeelding van een ingezeepte Tupac Shakur, een foto van een cactus, een afbeelding van Onze-Lieve-Vrouwe van Guadalupe en een foto van een zwart-rood (ombre) strookje haarextension op een verbleekt wegdek in de Cariben. De titel hing daar een tijdje te vergelen terwijl ik aan Habitus schreef. Op den duur werd dat papiertje vervangen door een regel uit het gedicht ‘Lunar Shatters’ van Melissa Broder: ‘I sanctify the ground and say fuck it.’  Misschien was dat wel de overtreffende trap van ‘Let me handle my business, damn.’ Hoe dan ook: Parker is al een tijdje bij me.

In de aanloop naar de publicatie van Habitus werd ik uitgenodigd om voor te dragen bij een avond over ‘zwarte, feministische poëzie.’ Ik opende toen de avond met een essay over identificatie, toeval en trots waarin ik onder andere vertelde over mijn eerste kennismaking met ‘zwarte feministische poëzie’, hoe dat beslist geen liefde op het eerste gezicht was geweest en over mijn probleem met ‘trots’ zijn op zaken waar ik niets voor had hoeven doen. Het ging toen in het bijzonder over mijn ongemakkelijke relatie met aan toevalligheden (geboorteplaats, etniciteit, sociaal-economische startpositie, geaardheid, sekse, etc.) ontleende trots. En ik vertelde over een vermoeid, soms ronduit moedeloos feminisme, een behoefte aan identificatie en een grote dorst voor stemmen die op onbeschaamde wijze de menselijke feilbaarheid bezingen. Ook vrouwenstemmen. Ook zwarte vrouwenstemmen. Ik gebruikte toen de eerste regel van Parkers gedicht als titel. ‘Took me awhile to learn the good words.’

In datzelfde essay citeerde ik ook een deel van een gesprek tussen Morgan Parker en Kaveh Akbar waarin Parker vertelde over de spreker in haar laatste bundel There are more beautiful things than Beyoncé. Parker vertelde dat ze het idee had dat de spreker in haar bundel aan het einde een soort overwinning vond. Ze verwoordde dat zo:

in het comfortabel zijn met haar feilbaarheid ligt haar heldendom

Akbar refereerde in reactie daarop aan een gesprek dat hij met dichter Adrian Matejka had gevoerd. Matejka vertelde dat zijn gedichten maar niet goed wilden worden tot hij stopte met proberen zichzelf als held op te voeren. Een gedicht, zei Akbar, is geen datingsiteprofiel waarin je probeert de lezer verliefd te laten worden op hoe geweldig je bent. Verderop in het gesprek concluderen ze: een dichter moet zichzelf niet casten als de onfeilbare held die steeds de juiste emotionele reactie heeft op elke prikkel.

Danez gaf midden in een interview aan dat het ook fijn zou zijn eens over iets anders te praten dan Trump en de politieke positie van een zwarte queer POZ in Noord-Amerika. Over witregels, bijvoorbeeld. Of enjambementen. Of fellatio.

Dat alles resoneerde enigszins. Het gekozen gedicht illustreert dat wellicht. En de enjambementen doen dingen met me. En die tragische braggadocio… Ik houd ervan.  Ook qua idioom en toon kan dit gedicht mij bekoren: ‘I’m on that grown woman shit before I break the bottle’s neck I pour a little out.’ Dat vind ik heerlijk. Dat had ook uit een raptekst kunnen komen.

Ook niet onbelangrijk: ik veer nog altijd op als ik her en der in de poëzie een middelvinger naar respectability politics tref. Afgelopen Poetry International zag ik bijvoorbeeld Danez Smith een paar keer voordragen. Danez’ voordrachten deed me aan een pastoor in een kerk uit mijn verleden denken, maar dan geestig, hartverscheurend, schunnig en schaamteloos. Ook amusant: Danez gaf midden in een interview aan dat het ook fijn zou zijn eens over iets anders te praten dan Trump en de politieke positie van een zwarte queer POZ in Noord-Amerika. Over witregels, bijvoorbeeld. Of enjambementen. Of fellatio. Vervolgens werd het publiek op een onderhoudende fellatioclinic getrakteerd. Dat was niet alleen comic relief. Ik zag hen eigenlijk tijdens dat hele festival vanuit alle hoeken vertellen waaruit zij meenden iets te moeten vertellen. Ongeremd. Met humor en woede en liefde en scherpte en tegelijkertijd zonder angst voor het tonen van minder sexy zaken als vernietiging, gebrokenheid, verdriet, moedeloosheid en niet-weten. Een verademing. Tussen de bedrijven door spraken we o.a. over ‘ratchetness’ en respectability politics in de context van artistieke expressie. Behalve luid en hilarisch waren dat ook bijzonder prikkelende gesprekken. Ik had er veel gedachten over en probeerde daar in Rotterdam woorden voor te vinden. Na zijn laatste voordracht schreef ik in mijn notitieboekje: een poëtica van ‘no fucks given’. Dat moet veel scherper, maar het komt in de buurt van wat ik aan dit werk waardeer.

K: Waarom zou je deze regels zelf geschreven willen hebben?

RF: Toen ik die titel op mijn muur plakte, had ik misschien bijna dat hele gedicht wel geschreven willen hebben. Dat is inmiddels niet meer het geval, maar ik ben nog altijd blij dat het geschreven is en dat ik het tegenkwam. Er zitten góuden tánden in. Hallo! Er buigen meerdere mannen met gouden tanden voor de borsten en de blaren op de voeten van een (zwarte) vrouw. Er ligt een opzichtig feilbare vrouw in bad afgeprijsde bordeaux te drinken en evenwichtigheid te spelen. Ik heb een grote dorst voor zulks in de poëzie.

Er zitten góuden tánden in. Hallo!

Stel ik zat met een hoedje op mijn hoofd in een kerk en Morgan Parker riep die regels… Ik zou het veertje uit mijn hoed en de hoed en de pruik van mijn hoofd trekken. Ik zou ‘preekt, zuster’ roepen en een hand in de lucht steken en zwaaien. Bij wijze van ‘hear, hear’ en om die hete woorden feestelijk wat koelte toe te wuiven.

I am the body of the queen of my hood filled up
with bad wine bad drugs mushu pork

Natuurlijk had ik dat willen schrijven.

In het eerder aangehaalde essay schreef ik ook over mijn vroegere zoektocht naar zulke regels:

Ik zocht regels waarin zwarte vrouwen geen godinnen, maar zwarte vrouwen waren. En misschien moesten ze in de eerste plaats ook vooral mensen zijn. Eindige mensen, zoals elk ander mens. Feilbaar, zoals elk ander mens. Onvrijwillig ter vreemde wereld gekomen, zoals elk ander mens. Onderhevig aan leed en aftakeling en elke dag een stapje dichter bij de dood, zoals elk ander mens.

K: Is het willen tonen van feilbaarheid van minderheden, die met hun trots een plek proberen te veroveren, een stap tot verdere vermenselijking? Om ook te emanciperen waar die trots nog onderdrukkend zou zijn – in het mogen hebben en tonen van aspecten waar je niet trots op bent?

RF: Man, dit is complexe materie. Weet je wat ergerlijk is? Als ik die vraag tracht te beantwoorden loop ik vol met nog meer vragen en tegenstellingen. Om te beginnen: ik weet niet of ik het wíl tonen. Dat is al spannend zat. Ik sta niet buiten de mechanismen die anderen ervan hebben weerhouden dit te doen. Dat merkte ik ook tijdens het schrijven van Habitus. Het zegt ook iets dat ik juist die regels op mijn muur plakte tijdens het schrijven. Als strijdkreten haast. Wellicht als reactie op een druk die ik tijdens het schrijven waarnam. Een complexe, meerlagige druk die onder andere te maken heeft met de plek waar ik vandaan kom. Ik ga daar nu niet over uitweiden omdat dit anders een heel lang gesprek wordt. Die druk produceerde in ieder geval iets… een soort geremdheid die behoorlijk op zelfcensuur leek. Laat ik dit zeggen: het tonen van ‘feilbaarheid bij minderheden’ was geen bewuste wens. Jaren geleden wilde ik het om te beginnen wel lézen. Ik zocht als lezer een specifieke vorm van identificatie. Toen ik zelf schreef voelde het alsof het moest. Ik wilde zo vrij mogelijk schrijven en ook die dingen aanraken waar ik die druk voelde. Is dat een vorm van individuele emancipatie?

Dan: als we in een wereld zouden leven waarin die dingen die ik toevalligheden noem een passende, niet al te belangrijke plek zouden krijgen zouden we dit gesprek niet voeren. In deze wereld doet het er best vaak toe wie je bent, waar je vandaan komt en hoe je er uit ziet. Je geaardheid, je gender, je gezondheid, je sociaal-economische startpositie, etc., zijn van belang. Voor veel mensen vormen die toevalligheden obstructies. De trots waar we het over hebben is ook een reactie op een leven met die obstructies.

Om te beginnen: ik weet niet of ik feilbaarheid wíl tonen. Dat is al spannend zat. Ik sta niet buiten de mechanismen die anderen ervan hebben weerhouden dit te doen.

Tegelijkertijd: er zijn hier vanuit mijn schrijverschap heel veel vragen over te stellen. Bijvoorbeeld: is die trots wel een manier om een plek te veroveren? Wat voor plek is dat überhaupt als je daar aan komt door vooral je trots op aangeboren toevalligheden te tonen? En als je delen van je menselijkheid wegsnijdt? Wat verover je dan eigenlijk? Wil je die plek wel? Maar ook: is die trots wellicht ook een bezwering van aangeprate minderwaardigheid? Een verkapte poging te bewijzen dat je die plek verdient? Een overcompensatie? Een poging tot tegenspreken/ontkennen? Een soort strijdkreet? Zelfbehoud? Een soort affirmatie? Je kunt je zelfs afvragen of er iets van superioriteit besloten zit in trots. En zo wel: is die superioriteit niet even misplaatst als de superioriteit waaraan domme ideeën over de vermeende minderwaardigheid van minderheden zijn ontsproten? Een reproductie van iets waar je vanaf probeert te komen? Je kunt je ook afvragen wat er tussen minderwaardigheid en trots zit. Je een driedelig matroesjka poppetje voorstellen. De grootste pop: het product van die overcompenserende trots. De kleinste pop: het product van geloven in de vermeende minderwaardigheid vanwege die ‘toevalligheden’. De middelste pop: de reële, kwetsbare, complexe, niet gecensureerde positie. Niet de opgeblazen onverwoestbare godin, maar ook niet kleiner dan je bent. Vanuit welke positie zou je twijfel, de feilbaarheid, niet-weten, zoeken, falen, worstelen, onzekerheid, leed, angst, e.d., willen benaderen?

Richt ik schade aan als ik zeg dat het herhalen van trotse godinnen/heldennarratieven de realiteit van mijn menselijke feilbaarheid ontkennen, schaamte in stand houden en mijn individualiteit en bewegingsvrijheid in de weg staan?

In het kader van mijn volgende titel heb ik me veel vragen gesteld die hieraan raken.

Wat als ik niet de trotse zwarte vrouw wil zijn? Wat als ik mijn etniciteit, geaardheid, sociaal economische startpositie, sekse en dergelijke zie als toevalligheden? Wat als ik niet trots wil zijn op toevalligheden? Wat als ik af wil van het idee van de sterke zwarte vrouw die alles aankan? Wat als ik geen superheld kan zijn? Wat als ik geen superheld wíl zijn, verdomme? Wat als ik een keer de neiging voel iemand een kopstoot te geven? Wat poets ik weg? Waarom wegpoetsen? En vooral: richt ik schade aan als ik zeg dat het herhalen van trotse godinnen/heldennarratieven de realiteit van mijn menselijke feilbaarheid ontkennen, schaamte in stand houden en mijn individualiteit en bewegingsvrijheid in de weg staan? Wat als ik ook mijn feilbaarheid wil vieren? Wat als ik überhaupt feilbaarheid wil vieren? Wat als ik daarin menselijkheid, rijkdom, schoonheid, kracht en poëzie zie?

Nog meer vragen: wat als ik weiger anderen te overtuigen van mijn gelijkwaardigheid als mens? Als ik zeg: mijn gelijkwaardigheid is een feit. Mijn etniciteit, mijn geslacht en al die andere toevalligheden doen daar niets aan af. Ik ben een mens. En een deel van mijn mens-zijn is dat ik feilbaar ben. En dat deel van mij wil ik niet amputeren uit angst voor misbruik door mensen die mijn toevalligheden een andere betekenis toekennen. Dan kun je je weer afvragen: wat is dat voor positie? Is dat niet een beetje een positie van ontkenning? Is het luxepositie? Is het een houdbare positie? Kan iedereen die positie innemen?

Ik kan hier lang over doorgaan en dat ben ik ook van plan. Een keer.

Ik kan hier lang over doorgaan en dat ben ik ook van plan. Een keer. Waarschijnlijk middels gedachte-experimenten. Wat ik daar nu over kwijt kan is dit: hoe meer ik die vragen voor mezelf beantwoord, hoe meer ik kom op de complexiteit van en de botsingen tussen individuele en collectieve emancipatie. Je zou hierover kunnen zeggen dat een individu van ondergeschikt belang is. Je zou een en ander op machtsverhoudingen kunnen gooien. Je zou kunnen zeggen dat het gaat over de emancipatie van grote groepen mensen en dat daar ook mensen tussen zitten die niet in de positie zijn om te zeggen ‘ik weiger om anderen te overtuigen van mijn gelijkwaardigheid’. Maar ook dat is een lastige positie in de context van artistieke uitdrukking. Want wat als de collectieve emancipatie de individuele emancipatie in de weg gaat staan? Is een verlangen naar autonomie bij minderheden die zich met artistieke uitdrukking bezighouden bijvoorbeeld #problematisch? Wanneer wordt het dragen van het grote doel van de collectieve emancipatie een last? Wanneer heeft dit een andere vorm van onvrijheid tot gevolg?

Andere vragen: wat gebeurt er met de emancipatiestrijd als er geen (zelf)kritiek geuit wordt uit angst voor misbruik? Wat gebeurt er als een individu geen mildheid naar zichzelf durft te uiten uit angst voor beschuldigingen van slachtofferschap?

Wanneer wordt het dragen van het grote doel van de collectieve emancipatie een last? Wanneer heeft dit een andere vorm van onvrijheid tot gevolg?

Ik wil dit alles nog even laten bewegen, het in mijn hoofd laten rondtollen, mezelf uit evenwicht laten raken. En dan wil ik het even laten luchten. Maar voor nu, om het vragenvuur te doven: ‘I sanctify the ground and say fuck it.’ Ja. Emancipatie. Vermenselijking. Natuurlijk. De vrijheid om geen mythisch figuur te zijn. Tuurlijk.

K: Hoe verwerk je het verlangen naar het soort regels dat je noemt in je schrijfpraktijk? Welke manieren zijn er om zulke regels op het spoor te komen? Welke rol speelt het toeval daarin?

RF: Dit is geen woordelijk citaat, maar Eva Gerlach zei eens in een interview iets als, ‘ik schrijf dat met een ander deel van mezelf dan dat waarmee ik hier aan tafel zit.’  Daar moet ik aan denken als je me vraagt welke manieren er zijn om zulke regels op het spoor te komen. Hoe kom je regels überhaupt op het spoor? Die dingen lijken soms op oprispingen, vind je niet? Alsof je je door de wereld beweegt en alles opvreet wat je tegenkomt en daar zo nu en dan flink verbaal van gaat boeren. Man, wat een verschrikkelijke vergelijking… Hoe maak ik dit erger? Als je niets dan knoflook hebt lopen eten, probeer je adem dan niet met een mintje te maskeren.

Ik denk dat het erop neerkomt te proberen niet te verloochenen waar je met je zintuigen, je hoofd en je hart (geweest) bent. Ik maak momenteel samen met een dichter een lange afspeellijst met muziek uit onze afzonderlijke jeugden. Een gezamenlijke Teenage Angst lijst. Hij stuurde me onlangs een bericht om te laten weten dat hij zich schaamde voor zijn toevoegingen aan die lijst. Ik had hetzelfde, maar we deelden die liedjes toch. Dat was mooi. Er bleek veel schaamtevolle overlap te zijn. Wat ook mooi was: ik kan die puber nog volgen die geraakt werd door Alanis Morisette’s ontreddering en woede en Kurt Cobains ronkende levensmoeheid en Tori Amos pathos en de dubbelpedaal drums van Slipknot en de gruntende glittergitaren bespelende jonge vrouwen van Kittie. Ik kan ook nog de puber volgen die op vrouwonvriendelijke bubbling schuurde, met Biggie meezong als hij fellatio bestelde en met Lil’ Kim toen ze liet zien hoe het was om die taal en die blik op je vrouwzijn te internaliseren. Zolang ik zo nu en dan zie dat die dingen in mijn werk verschijnen, zit ik wat mij betreft goed.

Man, wat een verschrikkelijke vergelijking… Hoe maak ik dit erger?

Allan Ginsberg antwoordde in een interview in de Paris Review op een vraag over expressie onder andere met een citaat van Whitman. Is het leuk om dat ook nog hier te citeren? Citaat in citaat in citaat?

It’s also like in Whitman, ‘I find no fat sweeter than that which sticks to my own bones,’ that is to say the self-confidence of someone who knows that he’s really alive, and that his existence is just as good as any other subject matter.

Waar ik mezelf zo nu en dan aan herinner is dit: vergeet niet wie en wat je kent. Vergeet niet wat op natuurlijke wijze je aandacht had/heeft en datgene waardoor je geraakt werd/wordt. Laat je niet leiden door de ‘smaakvolle’ norm. Wees waakzaam voor het enkel etaleren van eruditie en ‘goede smaak.’

Strooi ik nu omslachtig met een ‘hoodwijsheid’? Zeg ik nu eigenlijk ‘keep it real’? Nee. Dat zeg ik niet.

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (Joure, 1993) is schrijver. Hij debuteerde met Constellaties (2014) en was laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. Daarna verscheen zijn roman Het leven zelf (2017). Hij publiceerde verhalen, gedichten en essays in bijvoorbeeld Tirade, Revisor en Het Liegend Konijn. In november verschijnt van hem Het woedeboek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *