Klecks
Klecks
Klecks
Bespreking
Verdeelregels – Schets van Maarten van der Graaffs Nederland in stukken

De thematiek van Maarten van der Graaffs derde dichtbundel, Nederland in stukken, laat zich redelijk samenvatten door middel van het woord ‘deel’ en de variaties ervan (gedeelte, aandeel, bestanddeel, onderdeel; delen, verdelen, indelen, opdelen; het merendeel, ten deel vallen, deelnemen, deelneming; deeltijd? vierendelen? deeltjesversnellers?). Het had wellicht ook Nederland in delen kunnen heten; als die optie ooit voorbijkwam, gok ik dat hij het niet vanwege de onuitstaanbare woordgrap heeft afgelegd, maar eerder vanwege het feit dat ‘stukken’ specifiekere associaties heeft met dossiers, bureaucratie, en wat stuk, kapot, gebroken is.

Beter gezegd: het is de vraag naar dat woordveld (van ‘deel’) waar de bundel om draait. Dat begint al bij de inhoudsopgave. Die verwijst naar vijf plaatsen, die je misschien al te vlug ‘afdelingen’ zou noemen – sommige bestaand uit ‘één gedicht’, andere uit een ‘reeks’ – ware het niet dat de bundel, althans bij mij, de vraag opriep hoe je een gedicht en een reeks gedichten van elkaar onderscheidt. ‘Contract tussen man en jongen’ lijkt nog het meest op een los gedicht. ‘Word-document Nederland’ lijkt op het eerste gezicht een reeks van tien gedichten, ‘Eerste document’, ‘Tweede document’, voorafgegaan door ‘Bericht’, maar de tekst na de titel ‘Negende document’ is verdeeld over drie bladzijden, en springt, op de tweede en derde bladzijde, steeds verticaal in, in plaats van bovenaan de pagina door te lopen, dus ofwel ‘Negende document’ is geen gedicht maar een reeks gedichten, ofwel ‘Word-document Nederland’ bestaat niet uit tien maar twaalf gedichten, waarvan de laatste twee zonder titel, ofwel ‘Word-document Nederland’ betekent het einde van mijn hier vlug opgezette gedicht-definiërende apparaat, god hebbe zijn ziel.

De derde tekst, ‘Index’, begint juist van meet af aan strak bovenaan de pagina, en loopt dus misschien door vanaf een begin dat ontbreekt, hoewel de eerste regels een sterk aanvangende sfeer hebben. Op elke bladzijde valt na twee tot vier strofen een gat, zowel qua bladspiegel als qua zinsdoorloop, waarna de tekst onderaan de pagina doorgaat; de zinnen daar sluiten doorgaans juist weer vrij goed aan op wat op de volgende bladzijde volgt – ik ben dus geneigd van één lang gedicht te spreken, zij het, om die lezing maar te redden met het al van de dichter gekregen materiaal, een lang gedicht ‘in stukken.’

De tekst van ‘De Nederlandse commune’ begint, hoewel de tekst de pagina niet vult, ook steeds weer bovenaan. Daarmee zijn we snel klaar, zou ik willen zeggen – opnieuw een gedicht in stukken, met gaten, ware het niet dat Van der Graaff in najaar 2016 werk publiceerde in Het Liegend Konijn waarvan het reekskarakter veel duidelijker naar voren kwam – door een verschil in stijl tussen de tekst op de linker, en de tekst op de rechter bladzij – onder precies dezelfde titel. Ik heb helaas enkel kopietjes van die gedichten uit m’n archief kunnen opduiken, en was, toen ik die maakte, niet zo wijs om ook de inhoudsopgave te kopiëren, dan had ik kunnen kijken of de gedichten daar los waren opgenomen. Ook geen waterdicht procedé, de gedichten die van mijn hand in het najaarsnummer van 2014 gepubliceerd werden, zijn in de inhoudsopgave met één bladzijdenummer vertegenwoordigd – een echte reeks, dus, zoals ik het destijds aanbood – terwijl min of meer dezelfde gedichten vier jaar later, in bundelvorm, soms niet eens in dezelfde afdeling staan.

Met ‘Residuen’, de laatste tekst, gaat het wel degelijk om één gedicht. Dat weet ik, want in die hoedanigheid is het eerder, in een vroegere variant, verschenen als uitgave in de Schemerschijn-reeks van de Jan van Eyck-academie. Op zijn website sprak Van der Graaff destijds ook van een ‘gedicht in genummerde regels en strofes’, hoewel ik mij van auteursintentie en -oordeel weinig aantrek, omdat ik anders niet aan deze exercitie begonnen was, en het gehouden had bij ‘twee lange gedichten en drie reeksen’ (of ‘drie lange gedichten en twee reeksen’, dat weet ik niet meer), omdat dat is wat Van der Graaff er, tijdens een gesprek, zelf van maakte.

De enige reden dat ik hier een punt van maak, is omdat de bundel dat, in mijn ogen, zelf ook doet. Of ja, dat is de voornaamste reden. De tweede is dat ik er wel plezier in heb. Misschien is dat de voornaamste, en helpt het dat het, ook voorbij de lol die ik erin heb, steekhoudt. Want ook binnen de gedichten speelt deze chaos zich af. Kim Schoof merkte in haar bespreking (hier) al op dat in het ‘Vijfde document’ een liedtitel van Jan Smit door andere ‘zinnen’ wordt onderbroken:

Nabijheid. Als de morgen. Van lemma’s. Rouwsluiers.
Over flatscape. Is gekomen. Groet Standdaarbuiten
van mij. […]

Zo citeert Schoof het fragment. Het leuke daaraan vind ik dat, hoewel ze precies een voorbeeld citeert van hoe de tekst de grammaticale eenheid van de zin niet respecteert, Schoof dat zelf wél blijft doen: ze vind de samenhang van de zin ‘Groet Standdaarbuiten / van mij.’ belangrijk genoeg om ook dat staartje mee te citeren, hoewel het daar, in haar voorbeeld, niet over gaat. Of wellicht zorgt dat gewoon voor een sterker gevoel van context, van een fragment, en ging het haar helemaal niet om de coherentie van die zin.

Hoe het ook zij: als je uit Nederland in stukken citeert, lijk je dat geregeld ook niet te doen, omdat de samenhang – op het niveau van ‘afdelingen’, ‘reeksen’, ‘gedichten’, of ‘regels’, ‘zinnen’ – lang niet altijd even regulier is. Of omgekeerd: je lijkt zelfs tijdens het lezen soms alleen maar citaten en fragmenten mee te krijgen, alsof er een andere bundel bestaat (‘Nederland’) waaruit je maar een aantal uitgekozen en samengevoegde stukken (ja) leest.

Het gaat dus niet alleen over het verschil tussen een zin en een regel – een onderscheid waar de poëzie überhaupt dankbaar gebruik van maakt. Het gaat om de vraag wanneer iets überhaupt een ‘losse’ zin vormt. In het voorbeeld van Schoof ben je – als je de Jan Smit-allusie ziet – geneigd te spreken van twee helften, of een opgedeelde zin, een zin die op een of andere manier kapot is gemaakt. In dat geval heeft Jan Smit, of zijn muziekmaatschappij, of de radio, wie er ook maar over gaat en/of aan verdient, blijkbaar de macht om een bepaalde zin zo in ons geheugen te prenten, dat we spreken van een verwijzing zodra we twee delen ervan – die, zonder dat ik dat pejoratief bedoel, nogal generiek zijn (‘Als de morgen’, ‘Is gekomen’) – bij elkaar in de buurt zien staan.

Tijdens het lezen, en vooral het doorlezen, het niet te contemplatief stilstaan bij de tekst, worden die vragen steeds invoelbaar gemaakt: hoort dit nog bij elkaar? Is dit, zo los, kapot? Hoe moet ik het heel maken?

Ik vind dat een suffe omschrijving, dat die vragen ‘invoelbaar worden gemaakt.’ Ik bedoel het juist omgekeerd: ik voel iets dat ik, ietwat onhandig, onder woorden breng als vragen. Ik heb een redelijk reguliere leeshouding die, omdat veel mensen de conventie respecteren, kan lezen van punt tot punt om iets tot me te nemen dat lijkt op een eenheid. Van der Graaff respecteert die conventie hier niet, en dat zorgt voor iets dat schokt: zowel als de punt ‘juist’ of ‘onjuist’, ‘normaal’ of ‘abnormaal’ gebruikt wordt.

De punt (‘.’) is in Nederland in stukken niet in de eerste plaats grammaticaal, maar ritmisch. En daarmee wordt de thematiek die ik aan het begin van dit stuk benoemde – die, hoewel ik het daar niet over heb gehad, ook ‘inhoudelijk’ wel de kop op steekt – ook op woordniveau of zinsniveau doorgevoerd. Normaliter deelt een punt een tekst op in zinnen. Dat zorgt voor een bepaald normaal leesritme. Hier doet de punt iets anders, en wordt het ritme waarmee je een punt normaal leest, behouden om het anders te gebruiken, of uitgebuit. De bachelorscriptie, waarin iemand de vraag stelt in welke mate Van der Graaff daardoor afhankelijk blijft van het bestaan van dat normale leesritme, ga ik niet schrijven, maar zou wel een mooi voorbeeld zijn van een manier om een bundel die wellicht uitnodigt tot het gebruik van adjectieven als ‘experimenteel’ of ‘radicaal’ ook te lezen in termen van wat het behouden moet. Iemand met een neiging tot metonymische of synecdochale lezingen zou vervolgens kunnen concluderen dat een absolute revolutie onmogelijk is, omdat je enkel gebruik kunt maken van de middelen die, waar je je al bevindt (vóór de revolutie, dus) al beschikbaar zijn. Misschien is Schoof, door de bundel te lezen in de context van stichtingsmythes, daar al enigszins aan begonnen.

Ik begon met het schrijven van dit stuk omdat ik zin had de eerder verschenen versies van ‘De Nederlandse commune’ en ‘Residuen’ met de in de bundel gepubliceerde versies te vergelijken. Het bespreken van de indeling en aard van de bundel heeft me echter meer tijd gekost dan ik had verwacht. Ik voeg daarom, als een PS, hier het weinige toe wat ik al over ‘Residuen’ geschreven had – misschien schrijf ik op een ander moment ook de rest. (Dan zal dit, met terugwerkende kracht, maar het eerste deel van de bespreking geweest zijn. Wie weet.)

PS

In de Van Eyck-editie telt ‘Residuen’ (hierna ‘de Van Eyck-editie’) 478 genummerde regels en strofen. Wie in zijn exemplaar van de Van Eyck-editie naar de laatste regel bladert, ziet daar het nummer ‘477’ staan; enkel de Engelse vertaling, door Mia You, vermeldt ‘478.’  Dat komt omdat in de oorspronkelijke, Nederlandse editie ‘293’ is weggevallen waar hij hoorde te staan (dat kun je zien, omdat de regel ook niet goed is uitgelijnd). In de Engelse editie is ‘293’ op die plek behouden. Vanaf dat nummer loopt de Nederlandse nummering dus één tel achter op de Engelse. De regels waarbij het nummer ontbreekt zijn ‘in real-time voorzien van vertelling / om melancholie / op te roepen’, waardoor ik eerst dacht dat het om opzet ging: de enige regel zonder getal, dacht ik, gaat over het real-time toevoegen van vertelling (toegevoegd aan ‘een live-feed van dingen en dieren op aarde’, trouwens). Dat vind ik nog steeds de leukere lezing, hoewel ik er van overtuigd ben dat het gewoon om een drukfoutje gaat. (Ook omdat het nummer in de bundel wel is opgenomen, hoewel de regels daar weer zijn samengevoegd tot één regel.)

De Nederland in stukken-editie van ‘Residuen’ (hierna etc.) telt 555 genummerde regels-en-strofen. Dat komt onder andere, zoals ik al schreef, omdat een aantal strofen zijn opgedeeld (‘6. een deel van de inwoners van het stadje is acht jaar geleden naar de spelonken vertrokken die Renate bouwde’ is ‘6. een deel van de inwoners van het stadje is acht jaar geleden / 7. naar de spelonken vertrokken die Renate bouwde’).

Andere regels zijn weggevallen. Waar de Van Eyck-editie dit heeft:

282. sporen van
283. terrasvorming
284. dertig jaar lang een beetje veranderen
285. lichaamloos half-belichaamd
286. totale
287. openwondachtige
288. verbijstering over wie in deze wereld zijn en in welke samenstellingen

lezen we in de Nederland in stukken-editie:

349. sporen van
350. terrasvorming
351. dertig jaar lang een beetje veranderen
352. totale
353. verbijstering over wie op deze wereld zijn en in welke samenstellingen

Wie wil weten wat Van der Graaff in dit gedicht bezighoudt, kan zich dus evengoed vermoeien, in plaats van met Nederland in stukken, met de regels ‘285. lichaamloos half-belichaamd’ en ‘287. openwondachtige’, en de vraag waarom die zijn weggeredigeerd. Waarom passen deze regels niet in een bundel die zo sterk de vraag stelt naar wat het betekent om wel of niet te passen, wel of niet samen te hangen? Hoe bepaal je dat? Ik suggereer niet dat Van der Graaff dat zelf weet, dat hij dat niet, zoals we dat vaak maar zeggen, ‘op gevoel’ heeft gedaan. Dat maakt de vraag niet minder interessant: aan de hand van welke principes – wanneer het principe van een samenhangend geheel lijkt te zijn afgeschreven – kun je regels weghalen uit een werk dat in de eerste plaats gaat over verdeeldheid?

Nederland-in-stukkenMaarten van der Graaff
Nederland in Stukken
(Amsterdam: Uitgeverij Pluim, 2020)

De website van Maarten van der Graaff
De website van Uitgeverij Pluim