Klecks
Klecks
Klecks
De Regelname
‘Ik heb een ongemakkelijke verhouding met het lyrische karakter van poëzie’ – Tijl Nuyts over een poëtische ervaring, Gerard Manley Hopkins en het vermarkten van authenticiteit

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Tijl Nuyts. Hij is als literatuurwetenschapper verbonden aan de Universiteit Antwerpen en schreef essays, korte verhalen en gedichten die verschenen in de lage landen, Het Liegend Konijn, De Reactor, Awater, DW B en Tirade. Zijn debuutbundel, Anagrammen van een blote keizer, werd in 2017 genomineerd voor de C. Buddingh’-Prijs. Hij is eindredacteur poëzie bij Kluger Hans.

Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘My heart in hiding / Stirred for a bird’

Uit ‘The Windhover’ van Gerard Manley Hopkins.

118090844_321024705812556_3404866853100282898_n

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waaruit hij komt en de dichter die hem heeft geschreven.

Tijl Nuyts: De regel komt uit het gedicht ‘The Windhover’ van de Engelse dichter en priester-jezuïet Gerald Manley Hopkins (1844-1889). Het is het enige gedicht dat ik uit het hoofd ken. Ik draag het al even met me mee, waardoor het deel is gaan uitmaken van de dingen waarmee ik mijn leven inricht. Dat kan je vrij letterlijk nemen: in m’n appartement hangen verschillende kopieën van Hopkins’ handgeschreven kladversies van dit gedicht, in verschillende stadia van afwerking. Er hangt er ook zo eentje boven de eettafel. Wanneer ik ’s morgens muesli eet kijk ik graag naar Hopkins’ springerige handschrift en laat ik de verzen, samen met de ochtendkrant, op me inwerken.

G.M. Hopkins was een tot het katholicisme bekeerde priester die in klassieke talen doceerde in Oxford en Dublin, meerdere geloofscrisissen meemaakte en – voor zover je dat uit biografieën en briefwisselingen kan opmaken – best wel een gekwelde ziel leek te hebben. Ook over zijn schrijfpraktijk was hij erg onzeker: kon hij zijn, zeker in Victoriaanse ogen, buitenissig aandoende verzen wel rijmen met zijn priesterschap? Hopkins staat in meerdere opzichten heel ver van me af. Maar toen ik ‘The Windhover’ voor het eerst las en hoorde, werd ik er meteen op een heel directe manier door geraakt. Voorheen las en schreef ik vooral proza; ‘The Windhover’ zorgde voor m’n eerste écht overrompelende poëtische ervaring. Dat heeft veel te maken met de klank van het gedicht. Door het stuwende ritme, de vele alliteraties en het woordspel heeft het voor mij de schwung en de power van de allerbeste spoken word. Voor Hopkins was die speelse vorm geen spielerei maar van wezenlijk belang: hij muntte de term ‘sprung rhythm’ om het ongebruikelijke metrum te beschrijven dat de ruggengraat van zijn gedichten moest vormen. Elk van zijn gedichten was er immers op gericht om een element uit de werkelijkheid te beschrijven en er door vreemde neologismen en metrische salto’s de diepere essentie en het karakteristieke ritme van bloot te leggen. Ik weet niet of ik in de diepere essentie van de dingen geloof, maar de klanken die Hopkins eruit weet te puren, weten me toch elke keer opnieuw weer te raken.

In ‘The Windhover’ doet Hopkins dat door heel intens naar een torenvalk te kijken. Het sonnet vangt de creatieve energie die je kan ervaren bij het kijken naar de acrobatiek van een vogel in de lucht – of bij het aanschouwen van eender wat buiten jezelf ligt. Hopkins vat de vlucht van de valk op een heel vloeibaar manier. Zo zit het gedicht vol enjambementen: elk vers eindigt met een soort cliffhanger, waarna de vogel een bocht lijkt te nemen en een nieuwe figuur beschrijft. Hopkins propte het gedicht vol christologische metaforiek waar ik, zeker toen ik het gedicht voor het eerst las, weinig mee had, maar ook vol swingende regels waarmee hij de capriolen van de overvliegende valk in verzen probeert te evenaren: ‘As a skate’s heel sweeps smooth on a bow-bend: the hurl and gliding / Rebuffed the big wind’. Hopkins vergelijkt de valk met een ridder, een wimpel, een schaats, een brand, een ploeg in de aarde. Het gedicht geeft daardoor uitdrukking aan een soort poëtische metafysica die in hogere sferen zweeft én in de modder geworteld is.

De woorden ‘My heart in hiding / Stirred for a bird’ vatten voor mij wat er gebeurde toen ik kennismaakte met het gedicht. ‘The Windhover’ toont een wereld rondom je. Een wereld die je uit jezelf haalt en in beweging brengt, naar buiten. Dat klinkt een beetje kitscherig, en dat is het ook tot op zekere hoogte, maar het is een soort kitsch die ik met liefde omarm. Hopkins schreef op het einde van zijn leven ook heel andere gedichten: aardedonkere sonnetten waarin hij een geloofscrisis belijdt en bestrijdt, gedichten die vaak heel solipsistisch aandoen. Ik heb het meer voor zonnige, buitenwaarts gerichte gedichten als ‘The Windhover’, voor gedichten waarin Hopkins de wereld viert omdat het licht gevlekt door het bladerdek valt – zoals in het gedicht ‘Pied Beauty’, dat opent met de fantastische regel ‘Glory be to God for dappled things’. Vrolijkheid wordt vaak als naïef afgedaan. Toch is ze voor mij niet vrijblijvendheid: ik zie het belijden van blijdschap om de wereld zoals ze is als een engagement dat ook z’n verwarring en rafelranden mag kennen. Ooit hoorde ik de dichter Joost Oomen op een literaire gespreksmiddag vertellen over hoe hij in zijn poëzie niet de donkere krochten van zijn eigen ziel of de neoliberale samenleving opzoekt, maar de buitenwereld wil bekijken door een ‘vertroebelde hallelujah-bril’. Ik denk dat Hopkins dat in zijn gedichten ook doet, en daar ben ik hem erg dankbaar voor.

K: Je hebt in feite niet de gekozen regel in je gedicht verwerkt, maar veel andere elementen uit het origineel wel. Een andere mogelijkheid was bijvoorbeeld geweest de gekozen regel volledig uit z’n context los te maken. Vanwaar deze keuze?

TN: Door de enjambementen, de cadans en de binnenrijmen vond ik het erg moeilijk om één regel uit de het gedicht te snijden. Ik heb er daarom voor gekozen om enkele woorden te kiezen die wat voor mij de essentie van het gedicht vormt op een heel simpele manier weergeven. In mijn eigen schrijfpraktijk zoek ik vaak mijn toevlucht tot collagetechnieken en objets trouvés. Zo bevat mijn debuutbundel enkele regels van ‘The Windhover’ en ‘The Wreck of the Deutschland’, een langer, episch gedicht van dezelfde dichter, en vliegt een personage rond in een helikopter met de nummerplaat ‘G.M. Hopkins’. Voor jullie rubriek wou ik op een andere manier te werk te gaan dan ik gewoonlijk doe. Ik heb geprobeerd om wat het gedicht met me doet in één simpele lyrische gulp te vatten.

Gisteren las ik in La panthère des neiges (2019) van de Franse journalist en reisauteur Sylvain Tesson een passage die me deed denken aan wat ik, nu ik het opnieuw lees, met dit gedicht gezegd denk te hebben. Op een van de laatste pagina’s beschrijft Tesson, die samen met de natuurfotograaf Vincent Meunier in Tibet op expeditie is om er een glimp op te vangen van de sneeuwpanter – en daarvoor dagenlang in minder dan 25°C onder het vriespunt voorover in de sneeuw ligt te wachten –, een vergelijkbare ervaring wanneer hij de panter eindelijk over de hoogvlakte ziet lopen: ‘Munier et moi comprenions que nous ne comprenions pas. Cela suffisait à notre joie.’ [‘Munier en ik begrepen dat we het niet begrepen. Dat was genoeg voor onze vreugde.’ K.]

K: Stilistisch is er een duidelijk contrast tussen jouw gedicht en dat van Hopkins, en daarnaast tussen dit gedicht en het werk in je debuut Anagrammen van een blote keizer. Ben je een nieuwe richting ingeslagen?

TN: Ik heb een ongemakkelijke verhouding met het lyrische karakter van poëzie. Dat komt (denk ik) voor een groot deel voort uit mijn onbehagen over het wijdverbreide hedendaagse verlangen naar authenticiteit en hoe dat verlangen vandaag (vaak heel succesvol) vermarkt wordt. Tegelijk koester ik ook een grote fascinatie voor het authentieke, het expliciete en het expressieve. Zo hou ik heel erg van het werk van enkele hiphopartiesten, die net erg veel belang aan die realness hechten. (De Amerikaanse spoken word-dichter Amir Sulaiman is voor mij net zo’n literaire held als Hopkins, en zelfs zijn religieus geïnspireerde en op de essentie der dingen gerichte poëtische project doet me bij momenten denken aan dat van zijn Engelse collega).

Om iets met die fascinatie te doen, experimenteer ik sinds kort met meer lyrische vormen, maar altijd in kleine doses. Af en toe sta ik mezelf toe om een verkwikkend shotje lyriek te nuttigen. Dat heb ik met dit gedicht ook gedaan: ik heb mezelf verplicht om alles heel eenvoudig en straightforward te houden. Daardoor staat het resultaat enigszins los van m’n dagdagelijkse schrijfpraktijk, al zoek ik wel naar manieren om dit soort gedichten in m’n werk in te passen. Momenteel werk ik aan m’n tweede bundel, die voorlopig Vervoersbewijzen heet en over openbaar vervoer en religie zal gaan, over de plaats die we godsdienst vandaag toekennen in de ruimte(s) die we delen. Ik denk eraan om dit gedicht deel te laten uitmaken van een afdeling waarin een fietskoerier als een eigentijdse profeet boodschappen aan klanten levert, voorverpakte vormen waar men nood aan heeft, berichten die alles in een ander licht plaatsen.

nuyts_tijs_thumbTijl Nuyts
Anagrammen van een blote keizer
(Antwerpen: Polis, 2017)