Klecks
Klecks
Klecks
De Regelname
‘Ik ga hard op verlangen’ – Yentl van Stokkum over verhoudingen & onenightstands, overgave & zelfbehoud, en bestellen van de wok

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen dichters welke regel ze zelf geschreven zouden willen hebben – en waarom. En we vragen ze met die regel iets nieuws te schrijven dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Yentl van Stokkum. Ze studeerde Writing for Performance aan de HKU, werd gekozen voor het Slow Writing Lab en publiceerde in allerhande tijdschriften. Afgelopen maand verscheen haar debuutbundel, Ik zeg Emily, bij uitgeverij Hollands Diep.

Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘I am the least difficult of men. All I want is boundless love.’

Uit ‘Meditations in an Emergency’ van Frank O’Hara

*

(Beeld door Martien Bos)

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waaruit hij komt en de dichter die hem heeft geschreven.

Yentl van Stokkum: Ik vond het moeilijk een regel te kiezen – ik heb zoveel dichters waarvan ik een regel, of het hele oeuvre geschreven had willen hebben. Het meest heb ik getwijfeld tussen O’Hara, een regel van Jack Spicer en twee regels van Anne Sexton. Wat ik interessant vond aan die twijfel, was dat alle regels verband hielden met elkaar. Van Jack Spicer overwoog ik ‘Het doet echt pijn als jij er niet bent net zoals het echt pijn doet als de poëzie er niet is’, uit een van zijn liefdesgedichten. Stiekem verwijs ik in de een na laatste strofe ook naar die regel. Bij Anne Sexton overwoog ik ‘She is solid. / As for me, I am a watercolor. / I wash off.’ uit het gedicht ‘For my lover returning to his wife’ uit haar bundel Love Poems. Dat is een van mijn lievelingsgedichten.

Uiteindelijk koos ik voor Meditations in an Emergency, voor ‘I am the least difficult of men. All I want is boundless love.’ door de noodzaak die in die woorden zit. De tegenstelling tussen het makkelijk willen zijn en willen dat een ander zich compleet en met volle overtuiging aan je geeft. Dat raakt me. De eerste keer dat ik die zin las was ik zo ontroerd, dat ik bijna moest huilen. Ik houd ervan wanneer een gedicht op die manier tot me spreekt. Al voelt het een stuk onwenniger om te zeggen dat ik bij een gedicht moet huilen, dan wanneer ik dat zeg over een lied. Maar goed, ook een gedicht kan een trap in je maag zijn. Dan zit je daar als lezer, van, ‘Au, dit gedicht heeft me pijn gedaan. Het is een specifiek soort pijn en ik weet ook niet wat me nu nog moet troosten. Bied me alsjeblieft geen pleister aan, maar laat me hier ook niet mee zitten.’

Het is onder andere deze pijn die al die regels aan elkaar bindt, maar het is ook het verlangen dat eruit spreekt. Ik ga hard op verlangen en houd van die dialectiek tussen overgave en zelfbehoud. Er zit een verdrietig soort schoonheid in zo hard iemand willen en weten dat je daar alleen in staat. Meditations in an Emergency verlangt zoals ik in de lente soms naar iets nonspecifieks verlang – gretig, anticiperend, met de geur van al die plantjes die net ontluiken in mijn neus en met een overtuiging dat er nog iets uitzonderlijks moet komen, iets overweldigends, maar het is er nog niet en ik weet het niet zeker, maar hoe mooi is het om dat te voelen?

Het raakt me ook hoe het gedicht zich tot een ‘jij’ verhoudt, daardoor voelt het lezen ervan voor mij heel intiem. Alsof ik de geliefde ben en O’Hara mij wil. Ik voel me tijdens het lezen aangesproken en ook verbonden met O’Hara. Die intimiteit die daar ontstaat intrigeert me. Er zijn ook gedichten die voelen alsof ze me alleen maar dingen willen laten zien, ‘O, hier heb je een goede gedachte, een goed beeld, een mooie lichtinval’, maar die beklijven me nooit zoals de gedichten die me deelgenoot maken. Ik weet niet of daar de jij-vorm voor nodig is – het helpt. Terwijl ik erover nadenk krijg ik meteen zin om dat verder uit te pluizen.

Hoe dan ook. Ik vind de gedichten van O’Hara altijd spannend, er zit veel energie in. Ze lezen alsof iemand ze van koolzuur heeft voorzien, bruisend en fris. Maar in tegenstelling tot koolzuurhoudende drankjes slaan de gedichten van O’Hara nooit plat. En ik houd ervan hoe hij zich zo natuurlijk tot de stad waarin hij leefde verhoudt, en er vervolgens nog even een citaat in gooit uit het dagboek van Hester Thrale – de Thraliana.

K: Je neemt om de geleende regels in te bedden in het nieuwe gedicht een soort opmaat. Waar O’Hara schrijft: ‘Why should I share you? Why don’t you get rid of someone else for a change?’ leid jij de gestolen regels in met: ‘waarom moet ik overal iets van maken? waarom maakt niemand iets van mij?’

YvS: Ja, ik was wel erg in mijn nopjes toen ik dat bedacht – misschien heb ik zelfs eventjes gegniffeld tijdens het schrijven. Omdat die regels wel in verband met elkaar staan en ze ook in cadans overeenkomen. Het is echt een echo, een intertekstueel grapje. Wat mij ook bevalt is dat zowel het lyrisch ik in het gedicht van O’Hara als de ik in mijn gedicht een grote, allicht onredelijke vraag formuleren. En die gooien ze er maar in. Op hoop van zegen.

Ik was de dagen rondom het schrijven van het gedicht behoorlijk moe. Eigenlijk wilde ik helemaal niet schrijven, ik wilde dutjes doen op de bank en mij tot niemand verhouden. Zodra ik na begon te denken over die regels van O’Hara overkwam het verhouden me, terwijl ik me eigenlijk het liefst had willen omdraaien, ‘laat me met rust’ willen roepen. Toen (en ook: juist daarom) drongen die eerste regels zich aan me op. Ik had alleen geen zin om alweer kwetsbaar te zijn – ik voel me vaak kwetsbaar tijdens het schrijven – dus ik stond er een beetje recalcitrant in.

Mijn debuutbundel Ik zeg Emily verhoudt zich tot Emily Brontë, of tenminste de versie van haar die de afgelopen jaren in mijn verbeelding is ontstaan. Ze werd alomvattend: een versie van mezelf, een idool om te aanbidden, een geliefde, een onderwerp en een gegeven om tegenaan te schoppen. Ik kon me niet tot O’Hara verhouden zoals ik me tot Emily verhouden heb. Daarvoor zou ik veel meer tijd en energie nodig hebben (en wie heeft er nou energie, vandaag de dag). Het werd een klein verhoudinkje, een onenightstand, een vluchtig moment dat me best beviel. Ook een kleine verhouding is een verhouding, en terwijl ik daarover nadacht, kwam dat in me op: ‘Ben ik wéér iets aan het maken aan de hand van regels van een ander, verhoud ik mij wéér tot een ander. Zo typisch. Hoe zou het zijn wanneer iemand zich tot mij verhoudt? Ik lever me opnieuw over, wanneer is dat nou klaar?’

Ik ben me altijd bewust van de potentie van een lezer. Tijdens het schrijven van Ik zeg Emily heb ik veel over die verhouding nagedacht. Ik vroeg me af welke relaties ik aanging. Sowieso eentje met Emily, sowieso eentje met de poëzie an sich, sowieso een met mezelf als schrijver, een met het lyrisch ik dat ik hanteer – en absoluut een met de lezer. Ik schrijf om iets met een ander aan te gaan, schrijven voelt altijd als een gesprek dat ik al heel lang heb willen voeren. Ik houd van poëzie die me het idee geeft dat het lyrisch ik iets met mij als lezer aan wil gaan, wanneer de leeservaring zo intiem voelt dat een dichtbundel als een geliefde gaat voelen. Als lezer draag ik favoriete dichtbundels soms als een talisman met me mee naar alle plekken die ik bezoek. Jack Spicer zei ooit dat gedichten in series moesten bestaan, een gedicht dat enkel op zichzelf stond noemde hij een onenightstand – dat had ik dus gepikt van ons Jack, door hem verwijs ik al een poos naar losse gedichten als onenightstands. Zo’n aanduiding fascineert me, omdat het suggereert dat een serie gedichten, een bundel, een soort relatie is die je als schrijver aangaat. Zo ervaar ik het schrijfproces ook, als een relatie die ik aanga. Daarom werk ik het liefst in series: ik moet me overgeven, blootgeven, iets intiems uitzoeken, innig en volledig in het werk opgaan. Om me vervolgens (de pijn! de authentieke pijn!) te distantiëren, de relatie af te ronden en te zeggen dat het echt voorbij is, dat ik het werk niet meer mag bellen, maar wel met me mee mag dragen. Er is nogal wat toewijding nodig voor mij om te schrijven, maar ik houd van dat werk.

K: In het nieuwe gedicht maak je, net als in veel gedichten uit je debuut Ik zeg Emily, gebruik van een erg zelfbewust, sterk recursief lyrisch ik. Het schrijven van gedichten is steeds ook onderwerp van de gedichten zelf. Waar komt dat vandaan?

YvS: Ik ben bang dat mijn hoofd misschien bestaat uit een sterk recursief ik? Dat reflectieve, dat metaperspectief innemen, dat is een heel vast onderdeel van mijn denken. Net als dat continu zichzelf herhalende. Ik heb lang geprobeerd om dat buiten mijn gedichten te houden, ik was bang dat de gedichten onaangenaam zouden worden en probeerde een milder lyrisch ik te hanteren, met een zachtere stem, die ‘mooie’, sociaal wenselijke poëzie zou schrijven. Mijn werk werd minder oprecht. Maar verdomme, wie gaat me vertellen wat ‘mooie poëzie’ behelst en waarom zou ik mezelf keer op keer in dat soort houdingen moeten buigen? Denken dat je iemand moet behagen is verschrikkelijk vermoeiend. Daarnaast hanteren de gedichten die mij zelf het meest raken een feilbaar lyrisch ik, dat feilbaar denkt en handelt. Er zit iets subversiefs in, en dat zet me op scherp. Ik houd ervan wanneer er een in een gedicht ook plek is voor minder mooie dingen.

Ik thematiseer poëzie omdat ik van poëzie houd, het is mijn lievelingsding in de wereld. Ik ben me tijdens het schrijven van poëzie bewust van het feit dat ik poëzie schrijf, waarom zou ik me niet ook tot die handeling of mijn liefde ervoor verhouden? Het voelt bijna vreemd om dat niet te doen. Misschien is dat ook de toneelschrijver in mij: je zou het kunnen vergelijken met het ontkennen van het publiek tijdens een voorstelling, doen alsof de voorstelling een gesloten vertelling is, alsof ik mij er niet van bewust ben dat het zich in de realiteit van het theater bevindt – maar zo’n voorstelling is voor mij een formule waarin ik stukjes realiteit probeer te vangen, te vertalen. Ik doorbreek juist graag de vierde wand, en misschien zoek ik ook naar waar de vijfde wand zich dan bevindt. Is dat de grens tussen mijzelf en het lyrisch ik? Of het lyrisch ik en Emily? En hoe dun is die? Uiteindelijk komen al die stemmen immers uit mijn hoofd.

Het grootste verschil tussen dit gedicht en de gedichten uit Ik zeg Emily heb ik al genoemd, die ligt in de intensiteit van de verhouding met het werk. Maar tijdens het schrijven van Ik zeg Emily heb ik ook míjn stem als dichter gevonden. Dat klinkt zo verheven, maar het is wel waar. Dus de stem in dit gedicht is ook nog steeds de mijne. Het is een vermoeider gedicht, van iemand die net al een bundel heeft afgerond, die liever op de bank zou blijven liggen om straks iets van de wok te bestellen, maar zichzelf aan het werk moet zetten tot het schrijven ervan. Zich weer verhouden moet. Van iemand die zucht. Het is maar half ellende, het is ook fijn dat ze het nog kan. Wat denk je, is dit een antwoord op de vraag?

9789048857876 (1)

 

Yentl van Stokkum
Ik zeg Emily
(Amsterdam: Hollands Diep, 2021)